Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2021:362

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 januari 2021
Publicatiedatum
26 januari 2021
Zaaknummer
380075
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 5:1 lid 2 BWArt. 5:2 BWArt. 8 EVRMArt. 556 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming van kraker van perceel eigendom gemeente Nijmegen

De gemeente Nijmegen is eigenaar van een perceel in de gemeente Heumen waarop de gedaagde zonder toestemming woont in een SRV-wagen en tent. Na meerdere klachten van omwonenden en pogingen tot overleg sommeerde de gemeente de gedaagde het perceel te verlaten. De gedaagde weigerde dit.

De gemeente vorderde ontruiming van het perceel, vergoeding van ontruimingskosten en proceskosten. De gedaagde voerde verweer onder meer met een beroep op het huisrecht uit artikel 8 EVRM Pro en stelde dat er geen spoedeisend belang was.

De rechtbank oordeelde dat de gemeente een spoedeisend belang heeft om de onrechtmatige situatie te beëindigen. Het eigendomsrecht van de gemeente wordt geschonden door het gebruik zonder toestemming. Er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid door de gemeente. Het beroep op het huisrecht faalt omdat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en de APV.

De gevorderde ontruiming wordt toegewezen binnen drie dagen na betekening. De kosten van ontruiming komen voor rekening van de gedaagde indien de gemeente de ontruiming met inzet van politie en justitie moet uitvoeren. Een dwangsom wordt afgewezen vanwege het beperkte inkomen van de gedaagde. De gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van het perceel binnen drie dagen na betekening, met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/380075 / KG ZA 20-448
Vonnis in kort geding van 21 januari 2021
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE NIJMEGEN,
zetelend te Nijmegen,
eiseres,
advocaat mr. A.M.E. van Wijk-Driessen te Nijmegen,
tegen
[gedaagde],
wonende te Nijmegen,
gedaagde,
advocaat mr. M.F. van Hulst te Utrecht.
Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6
- de brief van 5 januari 2021 van de zijde van [gedaagde] met producties 1 tot en met 7
  • de brief van 6 januari 2021 van de zijde van de gemeente met producties 7 en 8
  • de brief van 6 januari 2021 van de zijde van de gemeente met productie 9
  • de mondelinge behandeling van 7 januari 2021
  • de pleitnota van de gemeente
  • de pleitnota van [gedaagde].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De gemeente is eigenaar van een perceel, gelegen in de gemeente Heumen, kadastraal bekend [nummer] (hierna: het perceel).
2.2.
Sinds geruime tijd woont [gedaagde] in een SRV-wagen en een tent op het gedeelte van het perceel dat als openbare parkeerplaats wordt gebruikt.
2.3.
De gemeente heeft in de periode van april 2019 tot en met juli 2020 meerdere klachten van omwonenden -die in de gemeente Nijmegen wonen- ontvangen over het verblijf van [gedaagde] op het perceel.
2.4.
Tussen de gemeente en [gedaagde] hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden over het vertrek van [gedaagde] van het perceel. Daarbij heeft de gemeente aan [gedaagde] te kennen gegeven dat zij bereid is om samen met [gedaagde] naar vervangende woonruimte te zoeken.
2.5.
De gemeente heeft [gedaagde] bij brief van 27 oktober 2020 gesommeerd om het perceel uiterlijk op 18 november 2020 te ontruimen. [gedaagde] heeft hier tot op heden geen gehoor aan gegeven.
2.6.
In het dossier bevindt zich een brief van 5 april 2019 van de gemeente aan [gedaagde] waarin de gemeente aan [gedaagde] bericht dat is besloten om aan hem urgentie te verlenen met betrekking tot het vinden van een levensloopgeschikte (sociale) huurwoning.

3.Het geschil

3.1.
De gemeente vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] te veroordelen om het perceel, kadastraal bekend gemeente [nummer], binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, geheel leeg en ontruimd ter beschikking van de gemeente te stellen en met alle daarin/daarop eventueel aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 100.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in verzuim daartoe is;
II. [gedaagde] te veroordelen om, indien hij niet binnen de gestelde termijn aan het vonnis voldoet en met de ontruiming in gebreke blijft en de gemeente de ontruiming zelf dient uit te voeren, de kosten van de ontruiming, op vertoon van de daartoe benodigde bescheiden, bestaande uit een exploot als proces-verbaal van de met deze bewerking van de verlating en ontruiming belaste gerechtsdeurwaarder, waarin deze kosten gespecificeerd worden opgegeven, aan de gemeente te voldoen;
III. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder uitdrukkelijk begrepen.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] betwist allereerst dat de gemeente een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. De gemeente beoogt een voortdurende onrechtmatige toestand te beëindigen bestaande uit een verblijf van [gedaagde] zonder recht of titel op het perceel. Het spoedeisend belang is daarmee gegeven, zodat aan het verweer van [gedaagde] voorbij zal worden gegaan.
4.2.
Voorop wordt gesteld dat het de gemeente als eigenaar van het perceel vrij staat daarvan gebruik te maken met uitsluiting van een ieder, mits dit gebruik niet in strijd is met de rechten van anderen en met beperkingen op grond van wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht (artikel 5:1 lid 2 BW Pro). Onder dat gebruik valt elke vorm van gebruik en welke vorm van gebruik de eigenaar daarvan wenst te maken staat in beginsel geheel ter vrije bepaling van hem. Vast staat dat [gedaagde] (een deel van) het perceel zonder toestemming van de gemeente in gebruik heeft genomen en dat hij niet enig recht van gebruik daarvan heeft gekregen van de gemeente. Daarmee maakt [gedaagde] inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. De gemeente hoeft het voortdurende gebruik door [gedaagde] niet te dulden en kan gelet op het bepaalde in artikel 5:2 BW Pro in beginsel verlangen dat een einde wordt gemaakt aan dit gebruik.
4.3.
De gemeente kan daarin niet worden beperkt op grond van een zuivere belangenafweging, behoudens voor zover sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheid bij de uitoefening van haar eigendomsrecht (art. 3:13 BW Pro). Daarvan zou sprake kunnen zijn indien een zodanige onevenredigheid zou bestaan tussen het belang van de gemeente en het belang van [gedaagde] dat de gemeente in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid kan komen. Dat zal zich niet licht voordoen in een geval als het onderhavige waarin een eigenaar een einde wenst te maken aan gebruik zonder recht of titel van zijn onroerende zaak. De gemeente heeft er belang bij uit oogpunt van haar publieke functie ter behartiging van het algemeen belang dat personen zich niet zonder toestemming vestigen op een perceel waarop bewoning niet is toegestaan op grond van het bestemmingsplan en de APV (zie hierna). Dat [gedaagde], zoals hij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht, bij ontruiming geen alternatieve woon-/ of verblijfsplaats heeft en het gelet op het tekort op de huizenmarkt lastig is om een (sociale) huurwoning te vinden en ook (legale) standplaatsen voor de SRV-wagen van [gedaagde] erg schaars zijn, is spijtig, maar dit brengt niet zonder meer met zich dat de gemeente in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid kan komen. De gemeente heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [gedaagde] reeds alle gelegenheid heeft gehad om andere woonruimte dan wel een andere, legale, standplaats voor zijn SRV-wagen te vinden. Ook heeft de gemeente aan [gedaagde] bij brief van 5 april 2019 een urgentie-indicatie verleend voor het vinden van een leeftijdsbestendige sociale huurwoning. De gemeente is [gedaagde] herhaaldelijk behulpzaam geweest bij het vinden van passende woonruimte maar volgens de gemeente stelt [gedaagde] telkens voorwaarden aan zijn vertrek van het perceel die niets met zijn huisvestingsprobleem te maken hebben, hetgeen [gedaagde] niet heeft betwist. Dit een en ander maakt dat het aan [gedaagde] zelf moet worden toegerekend dat hij bij gedwongen ontruiming geen vervangende woonruimte tot zijn beschikking heeft. [gedaagde] heeft verder gesteld dat de meldingen van overlast die bij de gemeente zijn binnengekomen geen gegronde klachten betreffen. Maar ook wanneer wordt aangenomen dat [gedaagde], zoals hij stelt, geen overlast veroorzaakt, doet dit er niet aan af dat in het algemeen belang, dat door de gemeente wordt behartigd, voorkomen moet worden dat [gedaagde] in strijd met de ter plaatse geldende publiekrechtelijke regelgeving naar eigen goeddunken ergens zijn woonplaats vestigt, bovendien zonder toestemming van de rechthebbende. Dat [gedaagde], zoals hij heeft gesteld, een goede verstandhouding heeft met de plaatselijke scoutingvereniging (gebruiker van de parkeerplaats op het perceel) en Staatsbosbeheer (beheerder van het perceel) en dat [gedaagde] van hen het perceel niet zou hoeven verlaten, doet, wat er ook van zij, in dit verband niet ter zake nu het perceel in eigendom toebehoort aan de gemeente. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij voortgezet gebruik van het perceel zo zwaarwegende belangen heeft dat het belang van de gemeente daarbij in het niet valt en dat de gemeente om die reden in redelijkheid geen ontruiming kan verlangen.
4.4
[gedaagde] heeft nog een beroep gedaan op het huisrecht ex artikel 8 lid 1 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Vooropgesteld wordt dat uit het tweede lid van artikel 8 EVRM Pro voortvloeit dat dit huisrecht bij of krachtens wet kan worden beperkt. Hiervan is in het onderhavige geval sprake. De gemeente is immers eigenaar van het perceel. Bovendien heeft [gedaagde] niet weersproken dat, zoals de gemeente heeft aangevoerd, zijn gebruik van het perceel in strijd is met het toepasselijke bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’ en meerdere bepalingen van de APV van de gemeente Heumen, nu bewoning op het perceel op grond van deze publiekrechtelijke regelgeving niet is toegestaan. [gedaagde] kan dan ook niet met een beroep op het huisrecht, zoals hij lijkt te veronderstellen, enig recht tot gebruik van het perceel voor zichzelf in het leven roepen.
4.5.
[gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling verzocht om in geval van toewijzing van de vorderingen de termijn voor ontruiming te stellen op één jaar na de datum van het vonnis zodat hij voldoende gelegenheid heeft om vervangende woonruimte te vinden. Gelet op het feit dat [gedaagde] reeds geruime tijd zonder recht of titel op het perceel verblijft en de gemeente [gedaagde] steeds heeft willen helpen bij het vinden van passende woonruimte terwijl [gedaagde] kennelijk telkens voorwaarden aan zijn vertrek heeft gesteld die niets met zijn woonsituatie te maken hebben, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de ontruimingstermijn te verlengen. De ontruiming zal dan ook als gevorderd worden toegewezen.
4.6.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv kan de gemeente, wanneer dit nodig blijkt, het vonnis ten uitvoer leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie. De daaraan verbonden kosten komen voor rekening van [gedaagde] zodat ook de vordering onder II. zal worden toegewezen.
4.7.
Nu de gemeente het vonnis zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer kan leggen, bestaat voor het opleggen van een dwangsom onvoldoende aanleiding. Uit het verhandelde ter zitting is verder genoegzaam gebleken dat [gedaagde] geen dan wel zeer beperkt inkomen heeft, zodat een dwangsom voor hem geen prikkel zal zijn om aan de veroordeling te voldoen. De gevorderde dwangsom zal daarom worden afgewezen.
4.8.
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:
- dagvaarding € 100,89
- griffierecht 667,00
- salaris advocaat
980,00
Totaal € 1.747,89
4.9.
De nakosten zullen als gevorderd worden toegewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het perceel, kadastraal bekend gemeente [nummer], geheel leeg en ontruimd ter beschikking te stellen aan de gemeente en met alle daarin/daarop eventueel aanwezige personen en goederen te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden,
5.2.
bepaalt dat indien de ontruiming moet plaatsvinden met behulp van de sterke arm van politie en justitie, de daarbij te maken kosten voor rekening van [gedaagde] zullen komen, op vertoon van de daartoe benodigde bescheiden bestaande uit een exploot of proces-verbaal van de met deze bewerking van de verlating en ontruiming belaste deurwaarder waarin deze kosten gespecificeerd worden opgegeven,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.747,89,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2021.