Uitspraak
[verweerder]
Rechtbank Gelderland
De verzoeker trad op 1 juli 2020 in dienst bij de verweerder als Leerling VIG voor 36 uur per week. Op 19 januari 2021 werd zij op staande voet ontslagen. De verzoeker betwistte dat er een dringende reden was voor het ontslag en stelde dat zij nooit ongeoorloofd afwezig was geweest of waarschuwingen had ontvangen.
De mondelinge behandeling vond plaats op 10 mei 2021, waarbij de verweerder niet verscheen en geen verweer voerde. De kantonrechter stelde vast dat de oproeping correct was gedaan en dat het verzoek van de verzoeker daardoor onbeantwoord bleef.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag onterecht was gegeven en veroordeelde de verweerder tot betaling van een billijke vergoeding van €11.720,46 bruto, een vergoeding gelijk aan het loon over de opzegtermijn van 19 januari tot 1 maart 2021, de wettelijke transitievergoeding en de proceskosten. Tevens werd wettelijke rente toegewezen over de genoemde bedragen vanaf respectievelijk de datum van ontslag, het einde van de opzegtermijn en 14 dagen na de beschikking.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte werd afgewezen.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is onterecht en de werkgever is veroordeeld tot betaling van billijke vergoeding, loon over de opzegtermijn en transitievergoeding.