De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder van een bedrijfsruimte waarin een restaurant wordt geëxploiteerd. De verhuurder vordert ontruiming en betaling van huurachterstanden, terwijl de huurder een huurprijsvermindering vordert vanwege de coronamaatregelen en gebreken aan het gehuurde.
De kantonrechter stelt vast dat de gebreken aan het dak en de riolering zijn hersteld of dat de gemeente daartoe opdracht heeft gegeven. De huurder heeft daardoor geen grond meer om huur op te schorten. Wel erkent de rechter dat de coronapandemie een onvoorziene omstandigheid is die het huurgenot aantast en een gebrek vormt, waardoor huurprijsvermindering op zijn plaats is.
De rechter bepaalt een huurprijsvermindering van 50% voor de periode van 15 maart tot 1 juni 2020, 25% van 1 juni tot 15 oktober 2020, en 50% vanaf 15 oktober 2020 tot het einde van de coronamaatregelen. De gevorderde ontruiming wordt afgewezen omdat de resterende huurachterstand onvoldoende is om ontbinding te rechtvaardigen. Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen en proceskosten gecompenseerd.