Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
[gedaagde 3],
1.De procedure
- de dagvaarding
- de op 9 maart 2020 ter griffie gedeponeerde USB-stick met daarop videomateriaal
- de e-mail van [eiser] d.d. 26 maart 2020 met een eiswijziging
- de conclusie van antwoord van DPG en [gedaagde 2]
- de e-mail van [eiser] d.d. 24 juni 2020 inclusief productie
- de brief van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] d.d. 30 juni 2020 met producties
- de e-mail van [eiser] d.d. 2 juli 2020 met een aanvullende productie
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van DPG en [gedaagde 2]
- de pleitnota van [gedaagde 3] en [gedaagde 1]
- de mondelinge behandeling d.d. 6 juli 2020.
2.De feiten
Aan dit bericht heb ik mijn goedkeuring gegeven. Daar sta ik ook volledig achter.
Met betrekking tot het tweede bericht kan ik het volgende verklaren. We waren die zondagavond op de terugweg van de motorcross in Assen. Toen kwam onder andere ook het verhaal van het drumstel ter sprake. Wij waren allemaal verontwaardigd dat [eiser] betrokken was bij de diefstal van het drumstel. Dat was voor ons allemaal wel duidelijk. Om de naam en reputatie van de overige crew-leden te ontlasten heb ik destijds geroepen op de terugweg zet de naam van [eiser] er maar in. Daarmee bedoeld ik dat ik wist dat [gedaagde 1] nog een Facebook bericht zou plaatsen. In onze emotie hebben wij allerlei dingen geroepen op de terugweg en [gedaagde 1] heeft dit later verwoord tot dit bericht en [gedaagde 1] heeft dit vervolgens geplaatst op Facebook. (…)
ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;
het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door een feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen. (…)”
3.Het geschil
www.ad.nl) en/of de op zeven zusterwebsites als vermeld onder punt 29 van de dagvaarding en/of in de papieren editie van het Algemeen Dagblad binnen een daarvoor door de voorzieningenrechter gestelde termijn en dit artikel daar te laten staan (middels reguliere wijze van plaatsing en doorplaatsen naar het openbare nieuwsarchief);
http://www.singeladvocaten.nl/rectificatie-rechtbank-gelderland, met als inhoud op voormelde internetpagina (te plaatsen door de advocaat van [eiser] ) de hieronder vermelde tekst, dan wel een in goede justitie te bepalen tekst:
www. [band] .nl) en deze aldaar vier maanden zichtbaar te houden op dezelfde (prominente) positie/hoogte op de website, waarna dit artikel in het nieuwsarchief mag worden geplaatst doch wel raadpleegbaar en doorzoekbaar zal blijven voor bezoekers van de website;
www. [band] .nl) en/of op de Facebookpagina van [gedaagde 1] en/of de popband [band] ; binnen een daarvoor door de voorzieningenrechter gestelde termijn;
4.De beoordeling
NJ1984, 801).
NJ2001, 74). Het uitstel voor onderzoek van de strafzaak tegen [gedaagde 3] is een nieuwswaardig feit, met name omdat [gedaagde 3] de zanger is van de bekendste [band] in Nederland. Uit de perspublicatie blijkt dat DPG en [gedaagde 2] zich in zekere zin distantiëren van de beschuldigingen aan het adres van [eiser] . In de perspublicatie wordt immers opgetekend dat [gedaagde 3] op zijn Facebookaccount een inmiddels verwijderde “tirade” tegen [eiser] heeft geplaatst naar aanleiding van het verdwenen drumstel. De perspublicatie vindt ook voldoende steun in de feiten. Zo meldt de perspublicatie bijvoorbeeld dat [band] aangifte heeft gedaan tegen [eiser] , maar dat het niet tot een veroordeling is gekomen. Deze feitelijke weergave is juist. Het citaat van de manager van [band] maakt de perspublicatie evenmin onrechtmatig. Dit citaat vindt eveneens voldoende steun in de feiten. Indien de strafrechter immers oordeelt dat de bestanddelen van de delictsomschrijving onvoldoende zijn bewezen, volgt vrijspraak. Weliswaar hadden DPG en [gedaagde 2] de naam van [eiser] kunnen anonimiseren, maar het is twijfelachtig of dit verschil had gemaakt: [eiser] heeft immers zelf aangevoerd dat de muziekwereld maar klein is. Bovendien geldt er voor DPG en [gedaagde 2] ook geen verplichting om de naam van [eiser] te anonimiseren. Het feit dat DPG en [gedaagde 2] volgens [eiser] geen wederhoor hebben toegepast maakt evenmin dat de perspublicatie onrechtmatig is. Uit het enkele feit dat [eiser] aangifte heeft gedaan van smaad blijkt immers al dat hij het niet eens is met de door [gedaagde 3] geuite beschuldiging. Evenmin leidt het enkele feit dat [eiser] is vrijgesproken ertoe dat er geen enkele negatieve berichtgeving meer naar buiten mag worden gebracht. Alles in overweging nemende behoort de persvrijheid in deze zaak zwaarder te wegen dan het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . De vorderingen van [eiser] tegen DPG en [gedaagde 2] zullen daarom worden afgewezen.
NJ2001, 602). Daarbij weegt zwaar dat [eiser] pas op
980,00
980,00