Uitspraak
[verweerder] ,
1.De procedure
2.De feiten
) met je gesproken en aangegeven dat ik wil stoppen met werken.
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een geschil tussen een juridisch secretaresse en haar werkgever, een rechtspersoon naar buitenlands recht, over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer stelde dat zij wegens vrouwonvriendelijk en intimiderend gedrag van haar werkgever de arbeidsovereenkomst per direct had opgezegd (ontslag op staande voet) en vorderde onder meer schadevergoeding en loonbetaling. De werkgever betwistte de dringende reden en stelde dat sprake was van een gewone opzegging.
De rechtbank oordeelde dat de opzegging niet kan worden gekwalificeerd als ontslag op staande voet omdat de dringende reden niet onverwijld aan de werkgever is medegedeeld. De werknemer had pas elf dagen na de opzegging de reden gemeld, wat niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Hierdoor werd de gevorderde gefixeerde schadevergoeding en aanvullende schadevergoedingen afgewezen.
Daarnaast stelde de werkgever dat de werknemer het geheimhoudings- en teruggavebeding had geschonden en boetes verschuldigd was. De rechtbank vond onvoldoende bewijs voor schending van het geheimhoudingsbeding en oordeelde dat de werknemer de bedrijfseigendommen tijdig had teruggegeven. De boeteverzoeken werden daarom afgewezen.
De rechtbank veroordeelde de werkgever tot betaling van het achterstallige loon over de periode 1 tot en met 6 december 2019, omdat de werkgever dit bedrag ten onrechte had verrekend met vermeende boetes. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Opzegging werknemer kwalificeert niet als ontslag op staande voet; boetes en schadevergoedingen afgewezen; loonbetaling toegewezen.