Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[eiser 1] ,
[eiser 2],
[eiser 3]
1.De procedure
- het tussenvonnis van 24 januari 2020
- het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 4 maart 2020.
2.De feiten
- De wateroverlast is opgetreden in een periode met relatief grote neerslagen en hoge rivierstanden. De neerslaghoeveelheden zijn groot geweest, maar niet buiten de ranges van eerder opgetreden neerslaggebeurtenissen. Dit geldt ook voor de rivierstanden. Deze zijn hoog geweest, maar niet hoger dan in andere hoogwaterperioden. Wel is de hoogwaterperiode relatief lang geweest.
- Uit peilbuisgegevens in de omgeving van de schadelocatie komt naar voren dat de stijghoogte/grondwaterstand tijdens de wateroverlastperiode verhoogd zijn geweest. Het absolute niveau van de stijghoogte/grondwaterstand is echter niet hoger geweest dan in andere periodes met hogere standen.
In de A-watergangen die grenzen aan de schadelocatie is een baggerlaag aanwezig van meer dan 0,50 meter. Het doorstroomprofiel van de watergangen en de hierin gelegen duikers is hiermee sterk belemmerd, zeker wanneer er ook nog begroeiing aanwezig is.
3.Het geschil
4.De beoordeling
HR 9 oktober 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4240 (Bargerbeek); HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2813 (West-Friesland) en HR 9 november 2001, ECLI:HR:2001:AD5302 (Rijnstromen)) blijkt dat de algemeen te hanteren maatstaf is of het Waterschap, gezien de concrete omstandigheden van het geval, de verschillende bij het beleid betrokken belangen en de beperkte middelen, beneden de zorg van een goed beheerder is gebleven. Daarbij dient voorop te worden gesteld dat op het Waterschap een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting rust en dat het Waterschap bij het uitvoeren van het beheer een zekere mate van beleidsvrijheid heeft.