Verzoeker woont aan een grotendeels onverharde weg die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem wil afsluiten voor doorgaand verkeer en asfalteren. Verzoeker vreest dat asfaltering leidt tot hogere snelheden en onveilige verkeerssituaties. Het college heeft geoordeeld dat voor het asfalteren geen omgevingsvergunning nodig is, maar verzoeker betwist dit.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit tot afsluiting en het bestuurlijk rechtsoordeel over de vergunningplicht samen beoordeeld moeten worden. Volgens het bestemmingsplan is het zonder vergunning verboden om oppervlakteverhardingen aan te leggen of uit te breiden. De rechter is van oordeel dat asfaltering als aanleggen van oppervlakteverharding kan worden beschouwd. Er is twijfel of de oppervlakte van het te asfalteren deel onder de vrijstellingsgrens van 2.500 m2 valt.
Omdat nader onderzoek nodig is naar de exacte oppervlakte en de toepassing van het bestemmingsplan, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe. Het besluit wordt geschorst en het college wordt verboden de weg te asfalteren totdat de vergunningkwestie is opgehelderd. Verzoeker krijgt tevens vergoeding van het griffierecht.