ECLI:NL:RBGEL:2020:2740

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2020
Publicatiedatum
27 mei 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1605
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:86 AwbArt. 9.4.1 bestemmingsplanArt. 9.4.2 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen asfaltering en afsluiting weg wegens twijfel omgevingsvergunning

Verzoeker woont aan een grotendeels onverharde weg die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem wil afsluiten voor doorgaand verkeer en asfalteren. Verzoeker vreest dat asfaltering leidt tot hogere snelheden en onveilige verkeerssituaties. Het college heeft geoordeeld dat voor het asfalteren geen omgevingsvergunning nodig is, maar verzoeker betwist dit.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit tot afsluiting en het bestuurlijk rechtsoordeel over de vergunningplicht samen beoordeeld moeten worden. Volgens het bestemmingsplan is het zonder vergunning verboden om oppervlakteverhardingen aan te leggen of uit te breiden. De rechter is van oordeel dat asfaltering als aanleggen van oppervlakteverharding kan worden beschouwd. Er is twijfel of de oppervlakte van het te asfalteren deel onder de vrijstellingsgrens van 2.500 m2 valt.

Omdat nader onderzoek nodig is naar de exacte oppervlakte en de toepassing van het bestemmingsplan, wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe. Het besluit wordt geschorst en het college wordt verboden de weg te asfalteren totdat de vergunningkwestie is opgehelderd. Verzoeker krijgt tevens vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen en het college wordt verboden de weg te asfalteren totdat de vergunningkwestie is opgehelderd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/1605

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] te [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem, verweerder.

(gemachtigden: [persoon A] en [persoon B] )

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2019 heeft verweerde beslist dat de [naam weg] wordt afgesloten voor doorgaand verkeer en wordt geasfalteerd. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen omgevingsvergunning is vereist voor het asfalteren van de [naam weg] .
Bij besluit van 17 december 2019 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek op de zitting heeft telefonisch plaatsgevonden op 20 mei 2020. Verzoeker is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door gemachtigden.

Overwegingen

1. De [naam weg] is een grotendeels onverharde weg. Verzoeker woont aan deze weg. Hij vreest voor de verkeersveiligheid als deze weg wordt geasfalteerd, omdat op asfalt veel harder gereden zal gaan worden.
2. Verweerder is van plan om in juni 2020 te beginnen met het asfalteren van de [naam weg] . Verzoeker heeft dus een spoedeisend belang.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat verzoeker tegen het oordeel dat voor het asfalteren geen omgevingsvergunning is vereist, in rechte kan opkomen. Dit oordeel is weliswaar geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waartegen beroep openstaat, maar is wel een zogenoemd bestuurlijk rechtsoordeel waartegen beroep kan worden gemaakt. Dit omdat het volgen van een handhavingstraject onevenredig bezwarend zou zijn voor verzoeker. [1] Daarom zal de voorzieningenrechter zowel het verkeersbesluit om de weg af te sluiten voor doorgaand verkeer als het bestuurlijk rechtsoordeel dat geen omgevingsvergunning nodig is voor het asfalteren in zijn oordeel betrekken.
4. De voorzieningenrechter is er nog niet van overtuigd dat voor het asfalteren geen omgevingsvergunning nodig is. In het bestemmingsplan is in artikel 9.4.1 namelijk opgenomen dat het ter plaatse van de [naam weg] zonder vergunning verboden is oppervlakteverhardingen, zoals wegen, aan te leggen of uit te breiden. Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat het asfalteren het aanleggen van een oppervlakteverharding is. Dat ter plaatse, zoals verweerder stelt, al oppervlakteverhardingen aanwezig zijn, maakt niet dat het aanbrengen van een nieuwe asfaltlaag niet als aanleggen van een oppervlakteverharding kan worden beschouwd. Dus het asfalteren is op grond van artikel 9.4.1 van het bestemmingsplan zonder vergunning verboden.
Nu zijn in het bestemmingsplan in artikel 9.4.2 uitzonderingen op dit verbod opgenomen. Voor zover hier van belang is het verbod niet van toepassing op werken of werkzaamheden die een gezamenlijke oppervlakte hebben van niet meer dan 2.500 m². Dus een vergunning is niet nodig als de oppervlakteverharding een oppervlakte van minder dan 2.500 m2 heeft en daarover heeft de voorzieningenrechter twijfel. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat het te asfalteren deel 750 m lang is. In de stukken wordt een lengte van 800 m genoemd. De breedte van de weg is 3.20 m. Bij een lengte van 750 m is dus de oppervlakte 2.400 m2 en blijft dus (net) onder de 2.500 m2. Bij een lengte van 800 m komt het totaal te asfalteren oppervlakte uit op 2.560 m2 en dus (net) boven de 2.500 m2. Verder is nog van belang dat een deel van de [naam weg] al is verhard met deels klinkers en deels asfalt. Dit deel wordt niet (opnieuw) geasfalteerd. De vraag is of deze delen ook bij de bepaling van de oppervlakte moeten worden betrokken. Kortom, de voorzieningenrechter is er niet zeker van dat voor het asfalteren geen omgevingsvergunning voor het aanleggen nodig is. Dat is al voldoende voor het toewijzen van de voorlopige voorziening. Het is weliswaar niet uitgesloten dat een omgevingsvergunning voor het asfalteren alsnog kan worden verleend, maar deze vergunning is er nog niet.
5. Omdat nader onderzoek naar de exacte oppervlakte van het te asfalteren deel en naar de toepassing van in artikel 9.4.2 van het bestemmingsplan in dit geval nog nodig is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding meteen, met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, te beslissen op de bodemzaak, zoals verweerder heeft gevraagd.
6. De voorzieningenrechter zal dus het verzoek tot voorlopige voorziening toewijzen en het bestreden besluit schorsen en verweerder verbieden de [naam weg] te asfalteren.
7. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Wel zal de voorzieningenrechter verweerder gelasten het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe;
  • schorst het bestreden besluit;
  • verbiedt verweerder de [naam weg] te asfalteren;
  • gelast dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 178,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op:
De voorzieningenrechter en griffier zijn in verband met de maatregelen rond het coronavirus verhinderd om deze uitspraak te onderteken.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vergelijk ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356, onder 11.