In deze zaak vordert eiser de opheffing van conservatoir beslag dat gelegd is op zijn onroerende zaken door Zekerhedenagent, die een borgtocht van €50.000,- van eiser wenst te innen vanwege niet-nakoming van een leningovereenkomst. De leningovereenkomst werd in 2016 gesloten tussen een VOF en investeerders, waarbij Zekerhedenagent als zekerhedenagent optrad. Na faillissement van de VOF en niet-nakoming van betalingsverplichtingen, is de lening opgezegd en opgeëist. In 2019 zijn gewijzigde leningvoorwaarden overeengekomen, waarbij eiser en vennootschappen zich hoofdelijk verbonden en eiser borgtocht verstrekte.
Eiser stelt dat het conservatoir beslag onterecht is en dat Zekerhedenagent misbruik van bevoegdheid maakt. De rechtbank oordeelt dat de borgtocht rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat Zekerhedenagent bevoegd is eiser aan te spreken en beslag te leggen. De onderliggende vordering is niet ondeugdelijk en er is geen sprake van misbruik van omstandigheden. De belangenafweging leidt tot afwijzing van de vordering tot opheffing van het beslag.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op €1.636,- plus wettelijke rente en verdere kosten na vonnis. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.