ECLI:NL:RBGEL:2020:2483

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
30 april 2020
Publicatiedatum
7 mei 2020
Zaaknummer
C/05/369459 / FZ RK 20-976
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 26 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking aanhouding beslissing rechterlijke machtiging opname en verblijf Wzd

De rechtbank Gelderland behandelde een verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een machtiging voor opname en verblijf voor een cliënt op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd).

Tijdens de mondelinge behandeling, die vanwege COVID-19 telefonisch plaatsvond, werd vastgesteld dat de ingediende medische verklaring was opgesteld door een arts die als Wzd-functionaris verbonden is aan de instelling waar de cliënt verblijft. Dit voldoet niet aan de vereisten van artikel 26, zevende lid, Wzd, dat eist dat de verklaring wordt afgegeven door een onafhankelijke arts die niet betrokken is bij de behandeling en niet verbonden is aan de zorgaanbieder.

De rechtbank besloot daarom het verzoek aan te houden en het CIZ in de gelegenheid te stellen de medische verklaring aan te vullen met een verklaring van een ter zake kundige onafhankelijke arts. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling op 11 mei 2020. Het CIZ wordt verzocht binnen een week na dagtekening de aanvullende verklaring aan te leveren.

Uitkomst: Beslissing aangehouden vanwege ontbrekende medische verklaring van een onafhankelijke arts.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats: Zutphen
Zaakgegevens: C/05/369459 / FZ RK 20-976
Datum mondelinge uitspraak: 30 april 2020
Beschikking rechterlijke machtiging tot opname en verblijf Wzd
inzake
het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 e.v. van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd), ten aanzien van:
[cliënt] ,
geboren op [geboortedag] 1949 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
verblijfadres: [instelling] , op vrijwillige basis,
hierna te noemen: cliënt,
advocaat: mr. J.H. Stam te Zutphen.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 21 april 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft vanwege de situatie rondom het virus COVID-19 telefonisch plaatsgevonden op 30 april 2020.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn telefonisch gehoord:
  • cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
  • mw. [naam 1] , specialist ouderengeneeskunde verbonden aan [instelling] ;
  • mw. [naam 2] , verbonden aan [instelling] .

2.Beoordeling

2.1.
In artikel 26, vijfde lid, onderdeel d, van de Wzd is bepaald dat het CIZ bij zijn verzoek een verklaring dient over te leggen van een ter zake kundige arts, die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling was betrokken. In artikel 26, zevende lid, van de Wzd is bepaald dat indien het verzoek een cliënt betreft die al in een accommodatie verblijft, de in het vijfde lid onderdeel d, bedoelde verklaring niet kan worden verstrekt door de arts die verbonden is aan de desbetreffende zorgaanbieder.
2.2.
Ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat drs. [naam 3] , die de medische verklaring heeft opgemaakt, niet betrokken was bij de behandeling van betrokkene, maar dat hij in dit geval als Wzd-functionaris betrokken is, verbonden aan de accommodatie waar betrokkene verblijft.
Nu drs. [naam 3] deze functie vervult, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan artikel 26, zevende lid van de Wzd. Gelet op het verzoek van de advocaat van betrokkene ter zitting zal de rechtbank het CIZ in de gelegenheid stellen het verzoek aan te vullen met een medische verklaring van een ter zake kundige arts als bedoeld in artikel 26.
Iedere verdere beslissing ten aanzien van het voorliggende verzoek zal worden aangehouden tot de mondelinge behandeling op 11 mei 2020 op een nader te bepalen tijdstip.
Het CIZ zal worden verzocht om binnen een week na dagtekening van deze beschikking de medische verklaring, zoals hierboven omschreven, aan de rechtbank te doen toekomen.

3.Beslissing

De rechtbank:
1.1.
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het voorliggende verzoek aan tot de mondelinge behandeling op 11 mei 2020 op een nader te bepalen tijdstip;
1.2.
verzoek het CIZ de rechtbank binnen een week na dagtekening van deze beschikking de medische verklaring, zoals hierboven omschreven, aan de rechtbank te doen toekomen.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2020 door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, rechter, in tegenwoordigheid van L.W. Evers, griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 1 mei 2020.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.