De zaak betreft een beroep tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2013, waarbij de Belastingdienst de verkoopprijs van aandelen tussen vader en zoon corrigeerde op grond van artikel 4.22 Wet IB. De verkoopprijs van € 100.000 werd door verweerder gecorrigeerd naar de intrinsieke waarde van € 383.532 vanwege vermoedens van een niet-zakelijke transactie.
De rechtbank stelt vast dat de intrinsieke waarde van de aandelen € 383.532 bedraagt, maar dat de verkoopprijs zakelijk tot stand is gekomen. De waardering is gebaseerd op een taxatierapport en een accountantsberekening, die ook bij verkoop aan derden zouden zijn gevolgd. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst of dat de accountant niet onafhankelijk heeft gehandeld.
De rechtbank wijst erop dat de liquidatiewaarde alleen relevant is indien liquidatie te verwachten is, wat niet is gesteld of bewezen. De aanslag en belastingrente worden daarom verminderd en het beroep wordt gegrond verklaard. Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt vergoed.