ECLI:NL:RBGEL:2019:1983

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 april 2019
Publicatiedatum
8 mei 2019
Zaaknummer
NL19.1345 vonnis in het incident
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot zekerheidstelling proceskosten en vorm van zekerheid in civiel proces

In deze civiele procedure vordert LH Packaging B.V. dat Hebei Barrier Packaging Materials Co. Ltd. zekerheid stelt voor de proceskosten op grond van artikel 224 Rv Pro. De hoogte van de zekerheid wordt vastgesteld op €14.509,00, gebaseerd op griffierecht, liquidatietarief voor rechtsbijstand, nasalaris en incidentele kosten.

De rechtbank overweegt dat het onzeker is of deskundigenkosten nu al begroot kunnen worden en sluit deze voorlopig uit. Tevens wordt geoordeeld dat zekerheidstelling door storting op de derdengeldenrekening van de advocaat onvoldoende is vanwege onzekerheid over beschikbaarheid bij executie.

Daarom wordt de zekerheidstelling opgelegd via een onherroepelijke bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank. De beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de hoofdzaak is beslist. LH krijgt de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen binnen een gestelde termijn.

Uitkomst: Hebei wordt veroordeeld tot het stellen van zekerheid voor proceskosten van €14.509,00 via een onherroepelijke bankgarantie.

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK GELDERLAND
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer: NL19.1345
Vonnis in incident van 16 april 2019
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
HEBEI BARRIER PACKAGING MATERIALS CO. LTD.,
gevestigd te Dongguang, Hebei, China,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident, hierna te noemen: Hebei,
advocaat R. Meijer,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LH PACKAGING B.V.,
gevestigd te Groesbeek (Berg en Dal),
verweerster in de hoofdzaak,
eiseres in het incident, hierna te noemen: LH,
advocaat K.M. Kole te Arnhem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de procesinleiding
- de incidentele conclusie tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten
- het verweerschrift in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
LH vordert dat dat de rechtbank Hebei op de voet van art. 224 Rv Pro zal veroordelen voor een bedrag van € 23.770,00, althans voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, zekerheid te stellen voor haar proceskosten. Hebei voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2.
Niet in geschil is dat Hebei gehouden is tot zekerheidstelling en evenmin dat bij het bepalen van de hoogte van de te stellen zekerheid uitgangspunt is dat een bedrag van € 4.030,00 aan griffierecht verschuldigd is, dat de kosten van rechtsbijstand in de hoofdzaak zullen worden begroot op basis van een liquidatietarief volgens tariefgroep VI, ad € 2.402,00 per punt en voorts dat aan nasalaris een bedrag van € 328,00 dient te worden begroot. Het geschil spitst zich toe op de vraag hoeveel salarispunten moeten worden begroot en of een bedrag aan deskundigenkosten voor begroting in aanmerking komt. In dit verband is het volgende van belang.
2.3.
In de hoofdzaak vordert Hebei kort gezegd betaling voor geleverde folie. LH heeft een tegenvordering aangekondigd uit hoofde van non-conformiteit van deze folie. In de rede ligt daarom thans te veronderstellen dat instructie zal zijn aangewezen voordat eindvonnis gewezen zal kunnen worden. Tegen deze achtergrond dient, voorshands oordelend, ermee gerekend te worden dat in de hoofdzaak, naast salarispunten voor de indiening van een verweerschrift en het bijwonen van de mondelinge behandeling, aan de zijde van LH nog twee salarispunten aan werkzaamheden nodig zullen zijn.
2.4.
LH werpt op zichzelf terecht op dat zij waarschijnlijk met de betaling van het voorschot op de kosten van een eventueel deskundigenbericht naar de kwaliteit van de folie zal worden belast en een eventuele veroordeling van Hebei in de proceskosten van Hebei daarom waarschijnlijk ook deze kosten zal omvatten. Thans is echter zodanig onzeker dat voorlichting door een deskundige nodig zal zijn en ook welke kosten daarmee dan zullen zijn gemoeid, dat de rechtbank hiervoor nu geen kosten zal begroten.
2.5.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bedrag waarvoor zekerheid gesteld dient te worden vaststellen op € 14.509,00 (4 × € 2.402,00 + € 4.030,00 + € 328,00 + € 543,00 ter zake van de eventueel aan de zijde van LH te liquideren kosten van dit incident).
2.6.
Met zekerheid door middel van storting van het bedrag op de derdengeldrekening van het kantoor van de advocaat van Hebei hoeft LH geen genoegen te nemen. Betwijfeld kan worden of LH zich zonder moeite zal kunnen verhalen op een daar gedeponeerd bedrag, ook omdat niet zeker is dat dit bedrag daar ten tijde van de eventuele executie van een eventuele kostenveroordeling nog gedeponeerd zal zijn. De zekerheid zal gesteld dienen te worden door middel van een gebruikelijke onherroepelijke bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden.
2.7.
De rechtbank zal de beslissing omtrent de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
veroordeelt Hebei tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten tot een bedrag van € 14.509,00 uiterlijk op 14 mei 2019, door middel van een gebruikelijke onherroepelijke bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden,
3.2.
houdt de beslissing omtrent de kosten van het incident aan,
3.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
3.4.
bepaalt dat LH uiterlijk op 28 mei 2019 een verweerschrift kan indienen.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2019.