Uitspraak
in de zaak tussen
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
Rechtbank Gelderland
Eiser deed op 8 augustus 2017 aangifte BPM voor een Volkswagen Golf, waarbij de afschrijving werd bepaald via een taxatierapport. De handelsinkoopwaarde werd vastgesteld op €7.280 na schadeaftrek. De inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de BPM-heffing ongegrond.
De rechtbank onderzocht of de hoorplicht door de Belastingdienst was nageleefd. Ondanks meerdere uitnodigingen voor een hoorgesprek en wijzigingen in de data, concludeerde de rechtbank dat eiser en zijn gemachtigde de gelegenheid hadden om gehoord te worden, maar daarvan geen gebruik maakten. De hoorplicht is derhalve niet geschonden.
Inhoudelijk stelde eiser dat de BPM verminderd moest worden vanwege het toepassen van de btw-marge en de vergelijking met ex-rental auto’s. De rechtbank oordeelde dat eiser, die op basis van een taxatierapport aangifte deed, de bewijslast draagt om te tonen dat te veel BPM is betaald. Dit is niet aannemelijk gemaakt. Bovendien kan een auto zonder huurverleden niet worden vergeleken met een ex-rental auto, zodat geen reden bestaat voor een verlaging van de BPM.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ging niet in op de verzoeken tot teruggaaf van rente, griffierecht of proceskostenvergoeding. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de BPM-heffing wordt ongegrond verklaard en de hoorplicht is niet geschonden.