Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 juni 2018
[X] B.V., te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, verweerder.
Procesverloop
- voor het jaar 2010 met dagtekening 28 maart 2015 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (hierna: Vpb), berekend naar een belastbaar bedrag van
- voor het jaar 2011 met dagtekening 14 maart 2015 een aanslag Vpb, berekend naar een belastbaar bedrag van € 494.585 waarbij bij beschikking € 6.941 aan heffingsrente in rekening gebracht;
- voor het jaar 2011 met dagtekening 21 maart 2015 een navorderingsaanslag Vpb over 2011 waarbij bij beschikking een vergrijpboete van € 56.823 is opgelegd en
- voor het jaar 2012 met dagtekening 11 april 2015 een aanslag Vpb, berekend naar een belastbaar bedrag van € 438.490 waarbij bij beschikking € 2.689 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 11.573 is opgelegd.
- van 16 juli 2016 de aanslag over het jaar 2010 verminderd tot een berekend naar een belastbare winst van € 473.859 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete is geheel komen te vervallen;
- van 20 augustus 2016 de aanslag over het jaar 2011 verminderd tot een berekend naar een belastbare winst van € 490.197 en de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete is geheel komen te vervallen;
- van 8 oktober 2016 de aanslag over het jaar 2012 verminderd tot een berekend naar een belastbare winst van € 432.704 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De vergrijpboete is geheel komen te vervallen.
Overwegingen
- de ingangsdatum is 1 december 2009;
- de einddatum is 1 december 2019;
- het nominale bedrag waar de renteswap op ziet is variabel en start op € 1.900.000 en eindigt op € 1.509.805;
- eiseres dient de Rabobank vanaf 4 januari 2010 maandelijks een vaste rente van 5% over het nominale bedrag te betalen;
- de Rabobank dient eiseres vanaf 4 januari 2010 maandelijks een variabele rente gelijk aan de één-maands Euribor te betalen.
- in 2010 € 85.783;
- in 2011 € 72.502 en
- in 2012 € 83.705.
2015 € 77.597 en 2016 € 67.209.
€ 473.859 (voor 2010, conform de uitspraak op bezwaar), € 474.678 (voor 2011) en
€ 401.665 (voor 2012).
Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;