ECLI:NL:RBGEL:2018:1571
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Pandrecht op assurantieportefeuille niet mogelijk volgens rechtbank Gelderland
De vennootschap dreef een assurantiekantoor en had een kredietovereenkomst met ING Bank waarbij pandrecht werd gevestigd op bedrijfsactiva. Na faillissement verkocht de curator de assurantieportefeuille. ING Bank vorderde dat de rechtbank bevestigde dat zij pandrecht had op de assurantieportefeuille en dat de curator onrechtmatig had gehandeld door deze te verkopen zonder rekening te houden met het pandrecht.
De rechtbank stelde vast dat een assurantieportefeuille bestaat uit een samenstel van overeenkomsten, vorderingsrechten en goodwill, maar dat een pandrecht slechts kan worden gevestigd op overdraagbare vermogensrechten. Overeenkomsten zelf en goodwill zijn niet goederenrechtelijk overdraagbaar. De rechtbank concludeerde dat een assurantieportefeuille als geheel geen goederenrechtelijk rechtsobject is waarop pandrecht kan worden gevestigd.
ING Bank stelde dat de portefeuille overdraagbaar is op grond van artikel 4:103, vierde lid, Wft, maar de rechtbank oordeelde dat deze bepaling slechts ziet op verbintenisrechtelijke overdracht en niet op goederenrechtelijke overdracht. De rechtbank wees daarom de primaire vorderingen af.
Een subsidiaire vordering van ING Bank om pandrecht op bouwstenen van de portefeuille te erkennen werd buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde. De rechtbank oordeelde dat de curator niet onrechtmatig had gehandeld en veroordeelde ING Bank in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat pandrecht op een assurantieportefeuille niet mogelijk is en wijst de vorderingen van ING Bank af.