Overwegingen
Eiseres drijft een eenmanszaak gespecialiseerd in de verkoop van lingerie. Verkoop vindt louter plaats vanuit de (fysieke) winkel.
Op 24 december 2014 heeft eiseres een inkeermelding van niet aangegeven vermogen in het buitenland gedaan. Deze melding heeft zij bij brief van 10 maart 2015 verbeterd. Hierbij heeft eiseres een ingevulde vragenlijst “verklaring vrijwillige verbetering” gevoegd. Het gaat om aangehouden tegoeden bij USB Bank in Zwitserland.
Het geld op de Zwitserse bankrekening is afkomstig van in Nederland gerealiseerde omzet uit de onderneming van eiseres. Eiseres heeft een deel van de door haar behaalde omzet over onder meer de jaren 2002 tot en met 2006 niet aangegeven. Deze omzet heeft zij in eerste instantie in contanten thuis bewaard. Zij heeft in 2003 € 75.000, in 2004 € 105.000 en in 2007 € 30.000 op de Zwitserse bankrekening gestort.
Bij brief van 10 juli 2015 heeft verweerder zijn voornemen aangekondigd om bij navorderingsaanslagen correcties op te leggen in de IB/PVV voor de jaren 2002 tot en met 2006. Dit betreft zowel het inkomen uit werk en woning (hierna ook: box 1) als het inkomen uit sparen en beleggen (hierna ook: box 3). Daarbij heeft verweerder vergrijpboetes aangekondigd.
In de navorderingsaanslagen met dagtekening 21 augustus 2015 heeft verweerder het inkomen uit werk en woning en de rendementsgrondslag met de navolgende bedragen verhoogd (in euro’s, mede afkomstig uit het door verweerder overgelegde overzicht):
2002
2003
2004
2005
2006
box 1
30
30
27.5
15
2.5
box 3
120.808
151.616
180.366
202.76
212.939
Dit heeft geleid tot vaststelling van het inkomen in box 1 en box 3 op de navolgende bedragen en tot vaststelling van de navolgende boetebedragen en bedragen heffingsrente:
2002
2003
2004
2005
2006
box 1
84.785
73.201
84.62
103.233
61.098
box 3
7.933
10.931
14.352
19.921
8.517
boetebedrag box 1
4.68
4.492
4.29
2.34
390
boetebedrag box 3
435
546
649
730
767
heffingsrente
7.755
7.183
6.466
3.507
1.251
Per jaar is telkens één (totaal)boete opgelegd, maar vanwege hetgeen hierna wordt overwogen acht de rechtbank het overzichtelijk hier de uitsplitsing in box 1 en box 3 te maken.
6. In geschil is of de omzetcorrecties over de jaren 2002 tot en met 2006 in box 1 en de daarmee samenhangende rentebeschikkingen en boetebeschikkingen terecht zijn opgelegd. Daarbij is in geschil of de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaren van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan worden toegepast. Hiervoor is gelet op het partijdebat uiteindelijk doorslaggevend of de verzwegen omzet in het buitenland is opgekomen. De correcties in box 3 en de daarmee samenhangende rente en boetes zijn niet in geschil. Voor zover de rechtbank tot het oordeel zou komen dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaren van toepassing is, is de hoogte van de navorderingsaanslagen ook met betrekking tot box 1 niet in geschil.
Beoordeling van het geschil
7. In artikel 16, derde lid, van de AWR is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Op grond van het vierde lid van dat artikel is die termijn echter twaalf jaren indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen.
8. De vraag die partijen verdeeld houdt betreft de uitleg van de term ‘in het buitenland opkomen’ in artikel 16, vierde lid, van de AWR. Daarbij is mede van belang dat verweerder het standpunt inneemt dat eiseres niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Door het verzwijgen van inkomsten is volgens verweerder een relatief en absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting niet betaald. Dit brengt volgens verweerder mee dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, waardoor eiseres de onjuistheid van de navorderingsaanslagen moet doen blijken. Dit volgt uit artikel 27e, eerste lid, van de AWR.
9. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1989-1990, 21 423, nr. 3) kan worden afgeleid dat de wetgever bij de verlenging van de navorderingstermijn niet alleen het oog heeft gehad op in het buitenland gehouden bezittingen en daaruit verkregen inkomsten maar ook op andere gevallen (arbeidsinkomsten, winst en dergelijke), waarin een in de Nederlandse belastingheffing te begrijpen bestanddeel van de belastbare grondslag in het buitenland wordt gehouden dan wel is opgekomen. Als voorbeelden van winst worden genoemd op een buitenlandse bankrekening gestalde retourprovisies of commissies die in wezen tot de in Nederland te belasten winst behoren. De rechtvaardigingsgrond voor een verruimde navorderingstermijn voor buitenlandse bestanddelen van vermogen of inkomen is dat de controlemiddelen van de Nederlandse fiscus te beperkt zijn om met een termijn van vijf jaren te kunnen volstaan.
10. De voorbeelden in de Memorie van Toelichting maken duidelijk dat primair gedacht is aan inkomensbestanddelen die naar hun aard eenvoudig in het buitenland kunnen opkomen en daar van meet af aan zijn, en die niettemin aan de Nederlandse belastingheffing onderworpen kunnen zijn. De tekst van artikel 16, vierde lid, van de AWR maakt een ruimere uitleg mogelijk, maar de rechtbank ziet in de beweegredenen van de wetgever wel aanleiding daarmee terughoudend te zijn. Wanneer een inkomensbestanddeel in Nederland opkomt, en onmiddellijk wordt overgebracht naar het buitenland, is het onderscheid met in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen onder omstandigheden te verwaarlozen. Een dergelijke situatie kan dan onder de reikwijdte van artikel 16, vierde lid, van de AWR vallen. Aldus leest de rechtbank ook de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BY8824. 11. De omstandigheden van het onderhavige geval zijn door eiseres als volgt toegelicht. Vanaf 1998, het moment dat eiseres met de winkel begon, heeft zij met enige regelmaat wat geld opzij gelegd. Dit was bij de ondernemers met wie zij contact had niet ongebruikelijk. Zij zag dit als een spaarpotje voor de kinderen. Zij vond het ongemakkelijk zoveel geld in huis te hebben. Het is in fases naar het buitenland gegaan. Eerst is een deel naar Duitsland gebracht. In 2003 heeft zij een deel naar Zwitserland gebracht. Ze durfde niet het gehele bedrag in één keer daarheen te brengen. In 2004 heeft zij toen nog een deel overgebracht. In 2007 heeft haar echtgenoot het laatste deel gebracht. Het voelde niet goed en daarom is zij er rond die tijd, mogelijk al iets voor 2007, mee gestopt geld buiten de boeken te houden. Het geld werd verdiend door contante betalingen niet volledig in de boeken op te nemen. Er werden geen leveranciers mee betaald. Van het in huis aanwezige contante geld hield eiseres geen administratie bij.
12. De rechtbank is van oordeel dat de wetgever bij de invoering van artikel 16, vierde lid, van de AWR niet een situatie als deze voor ogen heeft gehad. Het betreft een volledig binnenlandse aangelegenheid: de onderneming wordt in Nederland gedreven en de betalingen zijn in Nederland ontvangen. Ook is er geen sprake van dat gelden onmiddellijk na ontvangst zijn overgebracht naar een buitenlandse rekening. Daar is soms enkele jaren overheen gegaan. Dat in 2004 mogelijk ook kort tevoren ontvangen bedragen zijn overgebracht naar Zwitserland maakt dat niet anders. De inkomsten zijn in Nederland opgekomen. Daar komt bij dat niet valt in te zien aan welke controlemogelijkheden het verweerder heeft ontbroken om achter de verzwegen omzet te komen. Uitgaande van de juistheid van de stellingen van eiseres moet de brutowinstmarge verhoudingsgewijs laag zijn geweest. In de jaarcijfers hadden dan aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor verzwegen omzet. Nader onderzoek van verweerder, eventueel bij derden, had hierop meer licht kunnen werpen. Dit onderzoek is niet bemoeilijkt als gevolg van het feit dat op enig moment gelden naar het buitenland zijn gebracht, te meer nu dat niet telkens onmiddellijk na de ontvangst van de gelden is gebeurd. Gelet hierop is de onderhavige situatie niet in voldoende mate vergelijkbaar met de situatie waarin inkomsten die in Nederland zijn gegenereerd rechtstreeks door de Nederlandse afnemer naar een buitenlandse bankrekening worden overgemaakt waardoor deze inkomsten aan het zicht van de Nederlandse fiscus worden onttrokken (de situatie waaraan Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de uitspraak van 8 januari 2013 refereert).
13. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de eventuele omkering van de bewijslast geen invloed heeft op het voorgaande. De mogelijkheid tot navordering staat los van de vraag of de vereiste aangifte is gedaan. Voor de mogelijkheid tot navordering is in dit verband relevant of sprake is van in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen. Die vraag betreft niet een element van de belastingaanslag. De omstandigheid dat er al grond is voor navordering met betrekking tot het inkomen in box 3 doet daaraan niet af, omdat daarmee nog niet is gegeven dat sprake is van in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen.
14. Het beroep tegen de navorderingsaanslagen is gelet op het voorgaande gegrond.
Vergrijpboetes en heffingsrente
15. Aangezien de navorderingen met betrekking tot box 1 komen te vervallen, dienen ook de boetes in zoverre te worden verminderd. De boetes met betrekking tot de navorderingen over box 3 zijn niet in geschil. Wel is de rechtbank van oordeel dat er aanleiding bestaat de boetes ambtshalve te matigen vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarvan is in de regel sprake als er meer dan twee jaren verstreken zijn tussen het moment van aanzegging van de boetes en het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. De boetes zijn aangezegd op 10 juli 2015. Dat betekent dat de termijn van twee jaren met iets minder dan een half jaar is overschreden. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de boetes met 5% te verminderen. Deze bedragen dan nog achtereenvolgens € 413 voor 2002, € 518 voor 2003, € 616 voor 2004, € 693 voor 2005 en € 728 voor 2006.
16. Nu eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingsrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen.
Conclusie en proceskosten
17. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.223 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1,5 vanwege vijf samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.