Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Uitspraak van de meervoudige kamer van
[eiseres 1] ,
de staatssecretaris van Economische Zaken,
Procesverloop
Overwegingen
p. 125). De rechtbank ziet hierin aanleiding aansluiting te zoeken bij het strafrechtelijke leerstuk “Samenloop van strafbare feiten” (boek 1, Titel VI, van het Wetboek van Strafrecht). In dit leerstuk geldt dat, indien een feit onder meer dan één strafbepaling valt, de strafbepaling wordt toegepast waarop de zwaarste straf is gesteld. De maximale boetebedragen voor het opleggen van boetes wegens medeplegen van, dan wel feitelijk leidinggeven aan de overtredingen, zijn even hoog. Deze bieden dus geen aanknopingspunten voor het maken van een keuze. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat verweerder in dit geval de keuze heeft kunnen maken om de hoogste opgelegde boetes te handhaven. Dit zijn de boetes die zijn opgelegd voor de hoedanigheid van eiser 1 en 2 als feitelijk leidinggevenden.
€ 780.000. Voor een natuurlijk persoon was dit € 78.000, 10% van het maximumbedrag dat geldt voor rechtspersonen.
Verweerder heeft het totale boetebedrag, opgelegd voor het medeplegen, verdeeld over de medeplegers. Daarbij is, naast een verdeling naar periodes, een verdeelsleutel gehanteerd van 10% voor beide natuurlijke personen, en is de rest van de boete evenredig verdeeld over de ondernemingen. Verweerder heeft toegelicht dat met deze verdeling naar zijn mening aansluiting is gezocht bij de systematiek van artikel 62 van Pro de Msw. Voor eiser 1 in zijn hoedanigheid van medepleger leidt dat volgens verweerder tot een boete van € 10.830, en voor eiser 2 € 25.800. Het verschil tussen deze boetes wordt verklaard door het feit dat eiser 1 slechts voor periode A (1 maart 2012 tot 1 april 2012) als medepleger wordt aangemerkt, en eiser 2 voor periodes A en B (1 maart 2012 tot en met 23 juni 2012), en dus ook voor het totaal aan niet-verantwoorde kilo’s.
Bij de boeteoplegging voor het feitelijk leidinggeven heeft verweerder aan beiden het maximale boetebedrag van € 78.000 opgelegd, omdat het boetebedrag dat uit de berekening van artikel 58 van Pro de Msw zou volgen, telkens dat maximum zou overschrijden.
De rechtbank stelt de boete die aan Beukers is opgelegd in zijn hoedanigheid van medepleger vast op nihil.
De rechtbank stelt de boete die aan Beukers is opgelegd in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggevende vast op € 22.320.
De rechtbank stelt de boete die aan [eiser 2] is opgelegd in zijn hoedanigheid van medepleger vast op nihil.
De rechtbank stelt de boete die aan [eiser 2] is opgelegd in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggevende vast op € 22.320.