De rechtbank Gelderland heeft op 4 augustus 2016 uitspraak gedaan in een zaak waarin eiser beroep instelde tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2008 tot en met 2011. Uit een FIOD-onderzoek bleek dat eiser tegen vergoeding grote aantallen aangiften inkomstenbelasting voor derden had verzorgd, waarvan de inkomsten niet waren aangegeven in zijn belastingaangiften.
Verweerder stelde dat eiser niet de vereiste aangiften had gedaan en dat de niet aangegeven inkomsten aanzienlijk waren. De bewijslast werd omgekeerd en verzwaard, waarbij verweerder een redelijke schatting maakte van de inkomsten op basis van gegevens uit eisers administratie en aangiftebestanden. Eiser voerde aan dat hij slechts behulpzaam was geweest en dat hij niet altijd een vergoeding ontving, en verzocht om het horen van getuigen, wat de rechtbank afwees.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat eiser inkomsten uit overige werkzaamheden niet had aangegeven en dat de gehanteerde schatting redelijk was. De beroepen werden ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.