ECLI:NL:RBGEL:2016:4361

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 augustus 2016
Publicatiedatum
4 augustus 2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 291
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 9 Wet WOZArt. 7:27 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:72 lid 4 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beslistermijn na terugwijzing bezwaar WOZ-waarde 2015

Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning over 2015, dat door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en wees de zaak terug naar verweerder voor een nieuwe beslissing.

Eiser stelde verweerder vervolgens in gebreke wegens het niet tijdig beslissen, waarna verweerder op 19 december 2015 opnieuw uitspraak op bezwaar deed en het verzoek om een dwangsom afwees. De kern van het geschil betrof de vraag of na terugwijzing door de rechtbank de beslistermijn van artikel 30, negende lid, Wet WOZ (uitspraak binnen het kalenderjaar) nog geldt, of dat een termijn van acht weken na de uitspraak van de rechtbank geldt.

De rechtbank overwoog dat de rechtbank bij terugwijzing ook een termijn kan stellen voor het bestuursorgaan, maar dit niet had gedaan. Daarom blijven de wettelijke termijnen van de bezwaarfase van toepassing, waaronder de beslistermijn tot het einde van het kalenderjaar. Dit is ook in lijn met de bedoeling van de wetgever om de piekbelasting van lagere overheden te spreiden.

Omdat verweerder binnen deze termijn uitspraak op bezwaar heeft gedaan, was hij niet in gebreke en had eiser geen recht op een dwangsom. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond omdat verweerder tijdig uitspraak op bezwaar heeft gedaan binnen de wettelijke beslistermijn.

Uitspraak

RechtbanK gelderland
Team belastingrecht
zaaknummer: AWB 16/291
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 augustus 2016
in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en
de heffingsambtenaar van de gemeente Belastingsamenwerking Rivierenland, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak op bezwaar van verweerder van 19 december 2015 waarbij het verzoek om toekenning van een dwangsom is afgewezen.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2016. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, negende lid, van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) doet de heffingsambtenaar op een bezwaar dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, uitspraak in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. Het door eiser gemaakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning is op 17 maart 2015 door verweerder ontvangen. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 mei 2015 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen bij brief van 19 mei 2015 beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 augustus 2015 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar verweerder zodat opnieuw uitspraak op bezwaar kon worden gedaan. Bij brief van 7 oktober 2015, door verweerder ontvangen op 9 oktober 2015, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft op 19 december 2015 opnieuw uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij is, voor zover thans van belang, het verzoek om een dwangsom afgewezen omdat voor het eind van het kalenderjaar uitspraak op bezwaar is gedaan.
2. Op grond van artikel 7:27 in Pro verbinding met artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het bestuursorgaan - onder voorwaarden - een dwangsom verschuldigd als niet op tijd op bezwaar wordt beslist. In geschil is of de termijn van artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ is blijven gelden of dat verweerder binnen acht weken na de uitspraak van de rechtbank had dienen te beslissen.
3. In een geval als het onderhavige, waarin de rechtbank de uitspraak op bezwaar van verweerder heeft vernietigd en daarbij verweerder heeft opgedragen om, op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, kan de rechtbank op de voet van datzelfde artikel daarbij tevens bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuw te nemen besluit (gedeeltelijk) buiten toepassing blijven en daarbij tevens aan het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nieuw te nemen besluit. Aangezien de rechtbank dit niet heeft gedaan, bestaat er geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke voorschriften en termijnen zoals deze gelden in de bezwaarfase. Dit betekent dat in het geval dat sprake is van een terugwijzing naar verweerder om het bezwaar opnieuw in behandeling te nemen, zonder dat daarbij door de rechter aan verweerder een termijn is gesteld, de wettelijke termijn van artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ van toepassing is. Daarvoor bestaat te meer aanleiding nu de wetgever destijds bewust heeft gekozen voor een beslistermijn die afwijkt van de termijn die is neergelegd in de Awb, om zo rekening te houden met de ‘piekbelasting’ van lagere overheden en de afdoening van bezwaarschriften over het kalenderjaar uit te smeren (Kamerstukken II, 2007-2008, 31 206, nr. 7, pag. 15).
4. Nu verweerder aldus binnen de wettelijk gestelde termijn uitspraak op bezwaar heeft gedaan, was hij niet in gebreke en heeft eiser geen recht op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.
5. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van
mr. drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
5 augustus 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.