Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 juli 2016
[X] , te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.
Procesverloop
- een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over het jaar 2009 met aanslagnummer [000] .H.97, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 260.000, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 52.000. Tevens is bij beschikking € 10.885 aan heffingsrente in rekening gebracht;
- een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2010 met aanslagnummer [000] .H.07, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 285.636, alsmede bij beschikking een vergrijpboete van € 58.665. Tevens is bij beschikking € 7.670 aan heffingsrente in rekening gebracht;
- een aanslag IB/PVV over het jaar 2011 met aanslagnummer [000] .H.16.01, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 700.000. Tevens is bij beschikking € 4.773 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Overwegingen
- dat geen sprake is van een voor navordering vereist nieuw feit;
- dat – in geval de rechtbank van oordeel is dat wel mag worden nagevorderd – de baten niet bij hem zijn opgekomen, maar bij zijn echtgenote;
- dat – zo er wel sprake is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit en de baten wel bij eiser zijn opgekomen – de inkomsten uit [C] niet in Nederland, maar vanwege de uitvoering van de werkzaamheden in het buitenland zijn belast;
- dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld omdat verweerder de behaalde inkomsten zowel bij eiser als zijn echtgenote in de belastingheffing heeft betrokken;
- dat – in geval de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard – de door verweerder gemaakte schatting niet redelijk is aangezien geen rekening is gehouden met een voorziening van vijftien percent in verband met een met cliënten afgesproken “refundable at closing” bepaling zoals blijkt uit de door eiser overgelegde “term sheet”, geen rekening is gehouden met kosten verband houdende met buitenlandse reizen en verblijf van € 10.000 per maand en geen rekening is gehouden met het winstaandeel van de commanditaire vennoot; en
- dat er geen aanleiding bestaat voor het opleggen van vergrijpboetes omdat sprake is van een pleitbaar standpunt en dat de redenen voor het opleggen van de vergrijpboetes niet deugdelijk zijn gemotiveerd alvorens deze zijn opgelegd, de motivering ondeugdelijk is omdat de boetes ten onrechte zijn gebaseerd op een met omkering en verzwaring van de bewijslast vastgestelde grondslag en ten slotte dat de vergrijpboetes niet passend en geboden zijn.
Beslissing
- verklaart de beroepen inzake de boetebeschikkingen behorende bij de navorderingsaanslagen over de jaren 2009 en 2010 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikkingen behorende bij de navorderingsaanslagen over de jaren 2009 en 2010;
- vermindert de boetebeschikkingen tot respectievelijk € 22.100 voor het jaar 2009 en € 24.932 voor het jaar 2010;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 744;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 44 vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;