Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van
[eiseres 1], te [woonplaats],
Procesverloop
P. Brokken verschenen, beiden werkzaam bij verweerder.
Overwegingen
NAP +9.75m naar +10.00m (het voorjaarspeil). Verweerder heeft aan eigenaren/pachters van gronden in het gebied een vergoeding toegekend voor schade die is veroorzaakt door het voorjaarspeil.
NAP +10.40m van in de periode van 15 maart tot 1 oktober. Dit besluit is na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van
30 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8920, onherroepelijk geworden.
Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
De rechtbank stelt vast dat eisers in hun brief van 7 maart 2013 hebben verzocht om stopzetting van het voorjaarspeil en terug te keren naar het vóór 2007 geldende peilbesluit. Voor zover eisers ter zitting hebben betoogd dat de brief van 7 maart 2013 ook als een verzoek om handhaving van het peilbesluit van 1 maart 2007 moet worden aangemerkt, volgt de rechtbank dit betoog niet nu dit niet blijkt uit de brief. Evenmin kan de brief worden aangemerkt als een verzoek om aanpassing van het juridische peil zoals neergelegd in het peilbesluit van 1 maart 2007. Daarbij is van belang dat de brief niet is gericht aan het bevoegde orgaan, het algemeen bestuur. Bovendien blijkt dit verzoek niet uit de brief. Er bestond derhalve geen doorzendplicht voor verweerder.
1 maart 2007 moet worden aangemerkt als een uitvoeringshandeling van dat peilbesluit. Het verzoek van eisers kan naar het oordeel van de rechtbank daarom slechts worden opgevat als een verzoek aan verweerder om uitvoeringshandelingen te verrichten om het feitelijk peil buiten de bandbreedtes van het vigerende peilbesluit te brengen. De weigering van dit verzoek door verweerder in de brief van 5 juni 2013 is derhalve niet op enig rechtsgevolg gericht en is geen besluit in de zin van de Awb waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
In aanvulling op het bovenstaande merkt de rechtbank nog op dat het voorgaande anders zou zijn indien het voorjaarspeil buiten de bandbreedtes van het vigerende peilbesluit zou vallen. In dat geval rust op verweerder de inspanningsverplichting om het waterpeil binnen de bandbreedtes van het peilbesluit te brengen. Deze situatie doet zich thans echter niet voor.
25 november 2013 in gebreke hebben gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 27 juni 2013. Verweerder heeft ter zitting erkend dat er ten onrechte geen dwangsombeschikking is genomen. Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat het beroep van eisers tevens moet worden opgevat als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. Ter zitting hebben partijen de rechtbank verzocht zelf de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het besluit van 30 januari 2014 ongegrond;
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de hoogte van de verbeurde dwangsom vast op € 1.260;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 328 aan eisers vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 245 te betalen aan eisers.
mr. L.M. Vogel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: