De zaak betreft een geschil tussen een vervoerder en de Provincie Gelderland over afwijkingen in vervoersvolumes ten opzichte van prognoses in een vervoersovereenkomst en de terugbetaling van opgelegde boetes.
De vervoerder vorderde schadevergoeding en terugbetaling van boetes wegens vermeende wanprestatie, onrechtmatige daad en dwaling door de Provincie bij het opstellen van prognoses en nakoming van de vervoersovereenkomst. De rechtbank oordeelde dat de afwijkingen in vervoersvolumes binnen het ondernemersrisico van de vervoerder vallen en dat geen sprake is van toerekenbare tekortkoming of aanvullende rechtsplicht van de Provincie.
De rechtbank ging uitgebreid in op de prognosemethodiek, de verklaringen voor afwijkingen, en de opgelegde boetes voor duurzaamheid, lagevloer minibussen, klachten en servicegraad. De vervoerder slaagde er niet in voldoende onderbouwing te leveren dat de Provincie onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld. Ook de vorderingen tot vergoeding van leasekosten en onderzoekskosten werden afgewezen.
Uiteindelijk wees de rechtbank alle vorderingen van de vervoerder af en veroordeelde haar in de proceskosten, terwijl de Provincie werd veroordeeld in de proceskosten van de vervoerder wegens ingetrokken tegenvordering.