Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
VONNIS
[verdachte],
1 primair: medeplegen van zware mishandeling;
2 subsidiair: mishandeling;
3 primair: medeplegen van een poging tot zware mishandeling.
Beslissing
niet bewezen, dat verdachte het
onder 2 primair ten laste gelegdeheeft begaan en
spreekt verdachte daarvan vrij;
feit 1 primair, feit 2 subsidiair en 3 primairtenlastegelegde heeft begaan;
gevangenisstrafvoor de duur van
15 (vijftien) maanden;
gedeeltevan de gevangenisstraf, groot
5 (vijf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een
proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
schadevergoedingaan de
benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van
€ 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2014 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
verplichtingop
om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer 1], een bedrag
te betalen van € 600,00vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 april 2014, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
gelast de tenuitvoerleggingvan de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 27 november 2012, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.