ECLI:NL:RBDOR:2009:BL8926

Rechtbank Dordrecht

Datum uitspraak
30 september 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
82711 / HA RK 09-2063
Instantie
Rechtbank Dordrecht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WtbzArt. 2 lid 2 sub 2 WtbzArt. 477a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen griffierecht bij verklaringsprocedure ex artikel 477a Rv

De Bank maakte bezwaar tegen het door de griffier van de rechtbank Dordrecht vastgestelde vastrecht van €4.938,-- in een procedure tegen de Rabobank. De Bank stelde dat het griffierecht onterecht hoog was berekend omdat de procedure een verklaringsprocedure betrof ex artikel 477a Rv, waarbij het financiële belang onbepaald is.

De rechtbank overwoog dat de vordering inderdaad strekt tot het verkrijgen van een verklaring van de derde-beslagene, de Bank, conform artikel 477a Rv. Hoewel in de dagvaarding een bedrag van €1.046.865,65 werd genoemd, is dit niet bepalend voor de hoogte van het griffierecht bij een verklaringsprocedure.

De rechtbank stelde vast dat de procedure moet worden aangemerkt als een zaak met onbepaald belang, waardoor het griffierecht volgens artikel 2 lid 2 sub Pro 2 onder g Wtbz moet worden vastgesteld op €262,--. Het verzet werd daarom gegrond verklaard en de griffier werd bevolen het teveel betaalde bedrag in mindering te brengen.

Uitkomst: Het verzet tegen het opgelegde griffierecht wordt gegrond verklaard en het vastrecht wordt vastgesteld op €262,--.

Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT
Sector civiel recht
Zaak/rekestnummer: 82711 / HA RK 09-2063
beschikking van de enkelvoudige kamer van 30 september 2009
in de zaak van
mr. J.W. van Rijswijk,
kantoorhoudende te Amsterdam,
opposant op de voet van artikel 25 Wet Pro tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) tegen een beslissing van de griffier van de rechtbank Dordrecht.
1. Het procesverloop
1.1. Bij op 25 augustus 2009 ter griffie ingekomen verzetschrift (faxbrief d.d 25 augustus 2009) heeft mr. Van Rijswijk, advocaat van de naamloze vennootschap ABN Amro Bank N.V., hierna: de Bank, gevestigd te Amsterdam, op de voet van artikel 25 Wtbz Pro bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het door de griffier van deze rechtbank ten laste van de Bank vastgestelde en in rekening gebrachte vast recht ad € 4.938,-- in de door de Bank bij dagvaarding van 20 juli 2009 aanhangig gemaakte procedure, zaaknummer/rolnummer 82142 / HA ZA 09-2533, tegen de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatieve Rabobank Hardinxveld-Giessendam U.A., hierna te noemen: de Rabobank, gevestigd te Sleeuwijk, kantoorhoudende te Hardinxveld-Giessendam.
1.2. Mr. Van Rijswijk heeft de rechtbank verzocht het verzet gegrond te verklaren en het vast recht te bepalen op € 262,--.
2. De stellingen en het verweer
2.1. Mr. Van Rijswijk stelt zich op het standpunt dat de onderhavige aanhangig gemaakte procedure een verklaringsprocedure betreft, als bedoeld in artikel 477a eerste respectievelijk tweede lid Rv. Mr. Van Rijswijk voert daartoe aan dat uit voormelde wetsbepaling volgt dat de in de onderhavige procedure in te stellen vordering ertoe strekt dat de derde beslagene, in casu de Bank, wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd. Deze vordering is dan ook in de onderhavige zaak (primair) ingesteld, waarbij het bedrag waarvoor het beslag was gelegd in de dagvaarding wordt vermeld. Genoemde wetsbepaling biedt de derde beslagene voorts de mogelijkheid om ter voorkoming van toewijzing van de aldus ingestelde vordering, alsnog verklaring te doen.
2.2. Voor het hierboven genoemde standpunt wijst mr. Van Rijswijk voorts op de toelichting op artikel 2 lid 2 sub Pro 2 Wet tarieven in burgerlijke zaken in de Handleiding Tarieven in Burgerlijke Zaken per 1 februari 2009 voor de berekening van het vast recht, waarin wordt vermeld: “De jurisprudentie heeft aanleiding gegeven de procedures, die worden gevoerd ter verkrijging van de verklaring ex artikel 477a Rv. (de verklaringsprocedure) aan te merken als een zaak met een onbepaald belang.
Dit betekent dat het griffierecht wordt berekend volgens dit artikel 2, lid 2, sub 2, onder g.”
2.3. Het financiële belang bedraagt derhalve geen € 1.046.865,65, maar is onbepaald, aldus mr. Van Rijswijk. Dat in de dagvaarding een bedrag is genoemd, dat in beginsel het maximum griffierecht zou rechtvaardigen, doet daaraan niet af. Het griffierecht dient derhalve te worden vastgesteld op € 262,--.
2.4. De griffier heeft het berekende en in rekening gebrachte vast recht gehandhaafd, nu volgens de griffier - blijkens de dagvaarding - primair veroordeling wordt gevorderd van de Rabobank tot betaling van een bedrag van € 1.046.865,65, zodat aan griffierecht het hoogste bedrag aan vastrecht in rekening dient te worden gebracht.
3. De beoordeling
3.1. Het verzet is tijdig gedaan.
3.2. In de onderhavige procedure is door de Bank bij inleidende dagvaarding gevorderd - voor zover thans van belang - als volgt:
“ 1. Primair: gedaagde (de Rabobank) te veroordelen tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, zijnde € 1.046.865,65 … …., als ware gedaagde daarvan zelf schuldenaar; en
2. Subsidiair: gedaagde te veroordelen tot nakoming van haar verplichting afdracht te doen van het door het op 21 april 2009 gelegde derdenbeslag getroffen creditsaldo van € 17.873,74, en vervangende schadevergoeding ………..;
3. Meer subsidiair: gedaagde te veroordelen tot het doen van een met stukken onderbouwde gerechtelijke verklaring ex artikel 477a, tweede lid Rv. en betaling of afgifte van hetgeen volgens vaststelling door uw Rechtbank aan de bank zal blijken toe te komen;
4. Nog meer subsidiair: gedaagde te veroordelen tot nakoming van haar verplichting afdracht te doen van het door het op 14 juli 2006 gelegde derdenbeslag getroffen creditsaldo van € 11.049,56, en vervangende schadevergoeding …..;
Zowel primair, subsidiair, meer subsidiair en nog meer subsidiair:
5. gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure.”
3.3. De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige vordering blijkens de formulering van het petitum in de dagvaarding er toe strekt de derde-beslagene (de Bank) alsnog verklaring te laten doen als bedoeld in artikel 476a. Rv. Daaraan kan niet afdoen dat de vordering tevens veroordeling behelst tot betaling van het voormelde bedrag van
€ 1.046.865,65, nu een dergelijke veroordeling dient te worden gevorderd op grond van het bepaalde in artikel 477a. lid 1 Rv.
3.4. Het bovenstaande leidt ertoe dat het verzet gegrond moet worden verklaard. Nu sprake is van een verklaringsprocedure dient de zaak te worden aangemerkt als een zaak met een onbepaald belang. Dit betekent dat het onderhavige verschuldigde griffierecht dient te worden vastgesteld volgens artikel 2, lid 2, sub 2, onder g Wtbz en wel op € 262,--.
3.5. Het voorgaande leidt derhalve tot de navolgende beslissing.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het verzet gegrond;
beveelt de griffier van deze rechtbank in de onderhavige zaak € 4.676,-- in mindering te brengen op het reeds aan vast recht in rekening gebrachte bedrag ad € 4.938,--.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.W. van Baal en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 30 september 2009.