ECLI:NL:RBDOR:2005:AS4525
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kennelijk onredelijk ontslag en opzegtermijn bij overgangsrecht Wet Flexibiliteit en Zekerheid
Eiser was sinds 1 februari 1986 in dienst bij gedaagde en werd op 10 november 2003 ontslagen met een opzegtermijn die volgens eiser onjuist was toegepast vanwege het overgangsrecht van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid. Eiser stelde dat de opzegtermijn ten onrechte met een maand was bekort, omdat hij op 1 januari 1999 ouder dan 45 jaar was en daardoor de oude, langere opzegtermijn van toepassing was.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was. Hoewel eiser aanvoerde dat het ontslag op een valse reden was gebaseerd omdat anderen weer in dienst waren genomen, was dit onvoldoende onderbouwd. De economische noodzaak van het ontslag werd geacht aanwezig te zijn. Ook de gevolgen voor eiser, die ander werk vond maar tegen lager salaris, waren niet zodanig ernstig dat het ontslag kennelijk onredelijk was.
Ten aanzien van de opzegtermijn stelde de kantonrechter vast dat de oude opzegtermijn van 23 weken gold, verminderd met de wettelijke korting van vier weken, zodat 19 weken opzegtermijn van toepassing was. Gedaagde had slechts 17 weken in acht genomen, waardoor sprake was van een te korte opzegtermijn. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van twee weken loon met wettelijke rente en een matiging van de wettelijke verhoging tot 10%. De buitengerechtelijke kosten werden afgewezen en de proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het ontslag is niet kennelijk onredelijk, maar gedaagde heeft de opzegtermijn niet correct nageleefd en moet een schadevergoeding van twee weken loon betalen.