ECLI:NL:RBDOR:2003:AM1463
Rechtbank Dordrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging erfpacht voor onbepaalde tijd en vergoeding bij opzegging volgens oud recht
In deze zaak staat de vraag centraal of de erfpacht, gevestigd voor onbepaalde tijd, rechtsgeldig kan worden opgezegd door de grondeigenaren en of de erfpachter recht heeft op vergoeding van de waarde van de opstallen bij beëindiging van de erfpacht. De erfpachtakte geeft de eigenaar het recht tot opzegging bij niet-nakoming door de erfpachter, waardoor geen sprake is van eeuwigdurende erfpacht. De opzegging van 4 februari 2002, met ingang van 4 februari 2003, is volgens de rechtbank rechtsgeldig op grond van artikel 783 jo Pro 766 oud BW en artikel 166 Ow Pro NBW.
De erfpachter heeft slechts een wegnemingsrecht en geen aanspraak op vergoeding van de waarde van gebouwen en beplantingen, zoals bepaald in artikel 772 oud Pro BW en bevestigd door de erfpachtakte. Eisen van redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een ander oordeel, noch is sprake van ongerechtvaardigde verrijking van de grondeigenaren. De rechtbank stelt een termijn van zes maanden na betekening van het vonnis voor de erfpachter om zijn wegnemingsrecht uit te oefenen, waarna een dwangsom van € 10.000 per maand geldt bij niet-naleving.
Verder is vastgesteld dat de beslaglegging door de grondeigenaren onrechtmatig was en dat de erfpachter schade heeft geleden doordat potentiële kopers van de woning zijn afgezien. De erfpachter mag bewijs leveren van de omvang van deze schade, waarvoor een getuigenverhoor is toegestaan. Van het tussenvonnis kan hoger beroep worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen.
Uitkomst: De erfpacht is rechtsgeldig opgezegd per 4 februari 2003 zonder vergoeding aan de erfpachter; de erfpachter mag zijn wegnemingsrecht uitoefenen binnen zes maanden.