ECLI:NL:RBDOR:2002:AE6067
Rechtbank Dordrecht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging bijstandsuitkering wegens onrechtmatig verblijf
Verzoekster, een Turkse onderdaan die sinds 1993 in Nederland verblijft, kreeg haar bijstandsuitkering beëindigd per 30 januari 2002 omdat zij niet langer over een geldige verblijfstitel beschikt. Dit besluit is gebaseerd op de wijziging van artikel 7 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) en de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000.
Verzoekster betwist de beëindiging en beroept zich op het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB), met name op de artikelen 11.a en 11.b, en op het rechtszekerheidsbeginsel vanwege de terugwerkende kracht van het besluit. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat sinds de invoering van de Vreemdelingenwet 2000 een negatieve beschikking op een verblijfsaanvraag automatisch leidt tot onrechtmatig verblijf, zonder dat een last tot uitzetting vereist is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster sinds 30 januari 2002 onrechtmatig verblijft en daarom geen aanspraak kan maken op bijstand op grond van het EVSMB. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de belangen van verzoekster niet zodanig zijn dat onverwijlde spoed een voorziening rechtvaardigt.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering wordt afgewezen omdat verzoekster sinds 30 januari 2002 onrechtmatig verblijft.