Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9986

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
26-651
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 8:69a AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen omgevingsvergunning bouwen loods wegens gebrek aan belanghebbendheid

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen en gebruiken van een (materieel)loods annex geluidswering en een verkeerskundige wijziging op het terrein van vergunninghoudster. Zij stelt dat zij belanghebbende is omdat zij direct zicht heeft op het bouwplan en haar woon- en leefklimaat wordt aangetast.

De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van het bestreden besluit. De woning van eiseres ligt op meer dan 400 meter afstand van het perceel van vergunninghoudster en het zicht op het bouwplan is onderbroken door bomenrijen. Ook is niet aannemelijk dat het bouwplan leidt tot een toename van verkeersbewegingen, stofhinder of hinder door reflectie van zonnepanelen.

Hoewel eiseres een zienswijze heeft ingediend en het beroep daardoor ontvankelijk is, slagen haar beroepsgronden niet vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/651 en 26/321
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 april 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in dezaken
tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. W. Koster),
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college
(gemachtigde: mr. E.E.A. Speelman).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[vergunninghoudster] B.V., te [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. J.J. Turenhout).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen en gebruiken van een (materieel)loods annex geluidswering en een verkeerskundige wijziging op het terrein [adres] te [plaats]. Eiseres is het niet eens met deze vergunning. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Omdat het beroep ongegrond is, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 20 juni 2023 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen en gebruiken van een (materieel)loods annex geluidswering en een verkeerskundige wijziging.
2.1
De beslissing op de aanvraag is voorbereid volgens de uitgebreide procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ontwerp van het bestreden besluit heeft vanaf 20 februari 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eiseres heeft hiertegen op 31 maart 2025 een pro forma zienswijze ingediend, die zij met een brief van 14 april 2025 heeft aangevuld.
2.2
Met het bestreden besluit van 21 november 2025 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor de activiteiten (1) bouwen, (2) handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en (3) milieu als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (zaak SGR 26/321) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 26/651).
2.3
Eiseres heeft desgevraagd de belanghebbendheid bij het bestreden besluit toegelicht.
2.4
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. P.R. Botman als vervanger van de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1], en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 2].
2.5
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Belanghebbendheid eiseres
3. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
3.1
In beroep stelt eiseres dat zij direct belanghebbende is bij het bestreden besluit, omdat zij vanaf het perceel waar zij woont direct zicht heeft op het bouwplan. Het plan tast de omgeving van eiseres aan en daarmee haar woon- en leefklimaat. Op zitting heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat zij ook afgezien van dit bouwplan al overlast ondervindt van het bedrijf van vergunninghoudster. Die overlast bestaat uit verkeershinder en stofoverlast. Om die reden is belanghebbendheid volgens eiseres gegeven. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres door het bestreden besluit geen gevolgen van enige betekenis ondervindt en dat daarom geen sprake is van belanghebbendheid.
3.2
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en gebruiken van een loods bij een bestaand bedrijf dat, naar niet in geschil is, op basis van het geldende bestemmingsplan en diverse vergunningen legaal aanwezig en in werking is. De voorzieningenrechter volgt het college erin dat de omgevingsvergunning niet voorziet in uitbreiding van activiteiten. Het gaat om het in de loods stallen van materieel dat nu al op het terrein aanwezig mag zijn, waarbij het terrein nu al grotendeels verhard is. De loods dient tevens als geluidwering voor van het bedrijf afkomstig geluid. De afwijking van het bestemmingsplan heeft betrekking op de overschrijding van het bouwvlak. Het college heeft daartoe toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo, aldus het college.
3.3
De voorzieningenrechter volgt eiseres niet in het standpunt dat belanghebbendheid al is gegeven doordat zij ook zonder het bouwplan overlast ondervindt van het bestaande bedrijf. Beoordeeld dient te worden of eiseres belanghebbende is bij het nu bestreden besluit, dat voorziet in het bouwen van een loods. Uit de door het college bij het verweerschrift overgelegde stukken blijkt dat de woning van eiseres op een afstand van meer dan 400 meter van het perceel van vergunninghoudster ligt. Verder blijkt uit de daarbij overgelegde foto’s dat de zichtlijn vanuit de woning van eiseres op het terrein van vergunninghoudster is onderbroken door één of meer bomenrijen, die zich tussen de woning van eiseres en het perceel van vergunninghoudster bevinden. Er is dus geen ononderbroken zicht vanaf de woning van het perceel van eiseres op het bouwplan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan aan dit aldus beperkte zicht niet worden ontleend dat eiseres gevolgen van enige betekenis ondervindt van het bouwplan. Dat er mogelijk meer zicht op het bouwplan bestaat vanaf het perceel van eiseres geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat het afgaande op het dossier dan nog steeds gaat om zicht vanaf een aanzienlijke afstand, waarbij het zicht vanaf verschillende posities zal zijn onderbroken door bomen of ander groen. In het fotomateriaal dat eiseres heeft overgelegd ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunt om uit te gaan van direct zicht op het bouwwerk. Dit fotomateriaal bevat een impressie van het bouwplan waarvan de maatvoering niet te controleren is. Bovendien geeft die impressie, naar door eiseres niet is betwist, een voorstelling van het zicht vanaf een ander perceel dan dat van eiseres.
3.4
Ter onderbouwing van haar belanghebbendheid heeft eiseres verder als mogelijke gevolgen van het bouwplan genoemd: een toename van het aantal verkeersbewegingen, de aanleg van parkeerplaatsen, stofhinder en reflectie van zonlicht op de zonnepanelen die op het schuine dak van de loods worden aangebracht.
3.5
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een toename van het aantal verkeersbewegingen niet aannemelijk, omdat het bouwplan niet voorziet in uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten. Gebleken is dat het huidige materieel dat op het terrein staat in de loods zal worden geplaatst. De toename van het aantal parkeerplaatsen heeft, naar op zitting door het college toegelicht, te maken met de parkeernorm die is gekoppeld aan de oppervlakte van de bebouwing. Ook dat wijst naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op de door eiseres gestelde uitbreiding van bedrijfsactiviteiten. Eiseres heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de toename van het aantal parkeerplaatsen tot meer verkeersbewegingen zal leiden.
Daarnaast voorziet het bouwplan op zichzelf niet in activiteiten die stof veroorzaken. Ook aan door eiseres gestelde stofhinder door de bedrijfsactiviteiten, kan zij daarom niet ontlenen dat het nu bestreden besluit gevolgen van enige betekenis voor haar heeft.
Tot slot volgt de voorzieningenrechter het standpunt van het college dat niet aannemelijk is dat eiseres – gelet op de afstand tot het bouwplan en de flauwe hellingshoek van de zonnepanelen – hinder zal ondervinden van reflectie van zonlicht op de zonnepanelen.
3.6
De conclusie is dan ook dat eiseres geen gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van het bestreden besluit en dus niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij dat besluit.
Ontvankelijkheid van het beroep
4. Aangezien eiseres een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, is het beroep van eiseres ontvankelijk, ook al is zij geen belanghebbende bij het bestreden besluit. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 mei 2021. [2]
Relativiteit
5. In de uitspraak van 4 mei 2021 heeft de Afdeling verder overwogen dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, vaak vanwege het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het bestreden besluit zullen kunnen leiden.
5.1
Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De wetgever heeft hiermee de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de eiser door het besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit dus niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de eiser.
Beroepsgronden
6. Eiseres voert aan dat voor het verleggen van een sloot tevens een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit is vereist, die onlosmakelijk is verbonden met de activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Daarnaast stelt eiseres dat de loods de openheid van het landschap zal aantasten en ook het uitzicht vanaf het perceel van eiseres aantast. Verder is volgens eiseres onvoldoende gewicht toegekend aan de hinder die zij stelt te zullen ondervinden van de zonnepanelen op het dak van de nieuwe loods.
6.1
De voorzieningenrechter stelt vast dat deze beroepsgronden alle betrekking hebben op de toets aan een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de afstand tussen de woning en het perceel van eiseres en het perceel van vergunninghoudster, het vanuit diverse zichtlijnen niet ononderbroken zicht op het bouwplan en het ontbreken van andere gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat van eiseres, strekt de norm van een goede ruimtelijke ordening naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet tot bescherming van de belangen van eiseres. [3]
6.2
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen vanwege het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit standhoudt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:755, onder 3.