ECLI:NL:RBDHA:2026:9911
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tewerkstellingsvergunning wegens wachttijd bij opvolgende asielaanvraag
Eiser, met de Venezolaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat zijn eerdere asielaanvraag definitief was afgewezen. De werkgever vroeg voor hem een tewerkstellingsvergunning aan, die door het UWV werd afgewezen vanwege een niet verstreken wachttijd van zes maanden zoals voorgeschreven in de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022.
Eiser betoogde dat het recht op toegang tot de arbeidsmarkt bij een opvolgende asielaanvraag direct herleeft en dat de wachttijd in strijd is met het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en arresten van het Hof van Justitie van de EU. De rechtbank oordeelde echter dat de wachttijd ook bij opvolgende aanvragen geldt en dat het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is omdat eiser nog niet als vluchteling was erkend.
De rechtbank stelde vast dat het UWV ten onrechte bij de afwijzing bleef omdat de wachttijd inmiddels was verstreken. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het UWV werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Eiser kreeg vrijstelling van griffierecht en een proceskostenvergoeding van €1.868 toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd vanwege onjuiste toepassing van de wachttijd, met opdracht tot een nieuw besluit.