Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
NL25.13021 en NL25.13022
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 29 VwArt. 30b VwArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Eritrese dienstweigeraar wegens onvoldoende motivering minister

Eiser, een Eritrese dienstweigeraar, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen en leidde tot een signalering in het SIS voor tien jaar. De rechtbank oordeelt dat de minister een te hoge bewijslast heeft opgelegd omtrent de aannemelijkheid dat eiser gedwongen zou worden deel te nemen aan oorlogsmisdrijven.

De rechtbank stelt vast dat het Eritrese leger herhaaldelijk oorlogsmisdrijven pleegt en dat eiser zeer waarschijnlijk direct of indirect daaraan zou worden gedwongen deel te nemen, ongeacht zijn inzetplaats. Tevens is onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging of onevenredige bestraffing wegens dienstweigering.

De minister heeft ook nagelaten te toetsen of dienstweigering het enige middel is om deelname aan oorlogsmisdrijven te voorkomen. De rechtbank concludeert dat het standpunt van de minister dat dienstweigering niet tot vluchtelingschap leidt, geen stand houdt. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met het gewijzigde beleid en persoonlijke omstandigheden van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.13021 (beroep)
NL25.13022 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1998, van Eritrese nationaliteit,
eiser/verzoeker, hierna eiser,
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en

de minister van Asiel en Migratie,

verweerder, hierna de minister,
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en zijn signalering in het SIS [1] voor de duur van tien jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit [2] .
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag en de signalering in het SIS niet in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De opbouw van de uitspraak is als volgt. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding, onder 3 het asielrelaas, onder 4 de motivering van het bestreden besluit en onder 5 het relevante juridisch kader. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of het standpunt van de minister dat eisers dienstweigering niet tot vluchtelingschap leidt, standhoudt. De rechtbank sluit af met een conclusie, de gevolgen daarvan en de beslissing.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 juni 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en eiser gesignaleerd in het SIS voor de duur van tien jaar.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser om een voorlopige voorziening verzocht, die ertoe strekt dat hij niet uitgezet wordt zolang niet op het beroep is beslist.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Nurahmed als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een oproep heeft gehad voor militaire dienst, maar daar geen gehoor aan heeft gegeven en is ondergedoken. Daarna zijn de Eritrese autoriteiten naar hem op zoek gegaan en hebben zij zijn moeder in zijn plaats meegenomen. Dit heeft eiser van zijn wijkgenoten gehoord. Eiser heeft vervolgens Eritrea op illegale wijze verlaten. Na zijn vertrek is de moeder van eiser vrijgelaten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1.
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Illegale uitreis;
3. Dienstplicht.
4.1.
De minister acht alle relevante elementen geloofwaardig. Deze elementen leiden echter niet tot een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [3] .
4.2.
Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, omdat hij vanwege zijn veroordeling voor een geweldsmisdrijf op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde. Aangezien eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw geldt hierbij niet als vereiste dat sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf. De aanvraag wordt daarom afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder j, van de Vw.
4.3.
Omdat er uitzetbeletsels zijn, wordt aan eiser geen terugkeerbesluit uitgevaardigd en ook geen zwaar inreisverbod. Eiser vormt volgens de minister vanwege zijn veroordeling voor een geweldsmisdrijf een actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarom heeft de minister eiser voor tien jaar gesignaleerd in het SIS.
Juridisch kader
5. Voor het relevante juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage van deze uitspraak.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eisers dienstweigering niet tot vluchtelingschap [4] leidt?
6. Niet in geschil is dat eiser bij uitzetting naar Eritrea een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Partijen zijn verdeeld over de vraag of eisers dienstweigering tot vluchtelingschap leidt. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij als vluchteling kan worden gekwalificeerd, omdat hij niet voldoet aan tenminste een van de drie voorwaarden uit het beleid in paragraaf C2/3.2.7 van de Vc [5] . Erkend wordt dat het Eritrese leger oorlogsmisdrijven pleegt in [regio] maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij, mocht hij de dienstplicht moeten vervullen, daaraan zou moeten deelnemen (1). Daarnaast heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing vanwege zijn dienstweigering (2) en tot slot heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft die hebben geleid tot zijn dienstweigering of desertie (3).
Voorwaarde (1) dienstweigering of desertie vanwege vrees voor deelname aan oorlogsmisdrijven.
7. Eiser voert aan dat hij vanwege zijn desertie uit het Eritrese leger gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij is opgeroepen voor militaire dienst, maar dat hij niet in het Eritrese leger wil dienen omdat hij dan mensen zou moeten vermoorden. Volgens eiser begaat het Eritrese leger oorlogsmisdrijven. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar het landenbeleid, het rapport van Amnesty International Ethiopië van februari 2021, het rapport van de VN-Mensenrechtenraad van 14 september 2023 en het algemeen ambtsbericht Eritrea december 2023. Eiser heeft in dat kader ook verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 4 april 2023 [6] , waarin de minister zelf het standpunt heeft ingenomen dat het Eritrese leger oorlogsmisdrijven pleegt, welk standpunt door de rechtbank in die uitspraak is bevestigd. Zonder nadere motivering ziet eiser niet in waarom de minister in deze zaak tot een ander standpunt komt. Volgens eiser zijn de vereisten die in het beleid zijn opgenomen om tot de kwalificatie oorlogsmisdrijven te komen niet in de Kwalificatierichtlijn [7] genoemd. De eis dat er officiële uitspraken zijn over oorlogsmisdrijven in Eritrea is in strijd met het arrest [naam] [8] van het Hof [9] van 26 februari 2015. Hier komt bij dat het handboek [10] van UNHCR [11] in het geheel niet verwijst naar rechtsprekende instanties, maar wijst op het ‘veroordelen’ (condemn) van het militair optreden door de internationale gemeenschap ‘als zijnde in strijd met de fundamentele regels van menselijk gedrag’ [12] . Dat daar sprake van is, heeft eiser onderbouwd met verwijzing naar het landenbeleid en het rapport van de VN-Mensenrechtenraad. De enkele reactie van de minister dat het landenbeleid niet op het vluchtelingschap ziet, is ontoereikend.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiser de militaire dienstplicht heeft geweigerd. Evenmin is in geschil dat in de regio [regio] sprake is van een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij in [regio] ingezet en gedwongen zou worden deel te nemen aan de oorlogsmisdrijven. Niet iedere dienstplichtige in het Eritrese leger maakt zich hieraan schuldig, aldus de minister. Met andere woorden: volgens de minister is niet aan het tweede cumulatieve vereiste van voorwaarde 1 voldaan.
9.1.
Eiser heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat hij was opgeroepen voor het trainingskamp in [plaats 2], een nieuwe locatie voor militaire opleiding en trainingen, gelegen in een afgelegen gebied. Eiser is gevlucht voordat de training begon. Hij weet niet waar hij daarna terecht zou komen, maar gaat ervan uit dat hij gedwongen ingezet zou worden in [regio]. Eiser is afkomstig uit [plaats 1] en behoort tot de Tigrinya.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister door te stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in het leger in [regio] ingezet zou worden en de taak zou krijgen mensen te vermoorden, hem een te hoge bewijslast heeft opgelegd. Hoewel uit het beleid volgt dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt om zijn deelname aan oorlogsmisdrijven aannemelijk te maken, schrijft het beleid ook voor dat de minister, als sprake is van een dienstplichtige die is opgeroepen maar nog niet weet wat zijn taken zullen zijn, de schaal waarop de oorlogsmisdrijven worden begaan, betrekt bij de beoordeling van de aannemelijkheid dat hij daarbij betrokken zal raken. Daar komt bij dat uit het arrest EZ tegen Duitsland [13] (onder verwijzing naar passages uit het arrest [naam]) volgt dat de minister moet beoordelen of eiser door de dienstplicht te vervullen 'zeer waarschijnlijk' direct dan wel indirect zou deelnemen aan oorlogsmisdrijven. Daarbij dient de minister alle omstandigheden van het geval, met name die over de relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing over het verzoek wordt genomen, en de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker te betrekken. Het gaat er daarbij om of kan worden onderbouwd dat de omstandigheden in hun geheel het begaan van oorlogsmisdrijven aannemelijk maken.
9.3.
De rechtbank overweegt dat uit de aangehaalde rechtspraak van het Hof een onderzoeksplicht voor de minister volgt. Het tweede cumulatieve vereiste onder voorwaarde 1 van het beleid van de minister (dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij gedwongen zou worden deel te nemen aan oorlogsmisdrijven) lijkt in zoverre dan ook te strikt geformuleerd en niet in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister een beoordeling heeft gemaakt zoals het Hof die voorschrijft. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de minister dit op de zitting erkend. Volgens hem wordt het beleid echter wel in overeenstemming met de huidige rechtspraak van het Hof toegepast en heeft in dit specifieke geval ook een dergelijke beoordeling plaatsgevonden. Eiser is namelijk uitgenodigd dit te onderbouwen met concrete informatie over de gepleegde oorlogsmisdrijven. In het landenbeleid over Eritrea staat hier niets over. Volgens de minister is de schaal waarop oorlogsmisdrijven worden gepleegd in Eritrea niet zo groot als bijvoorbeeld in Syrië. In Eritrea is in 2022 tijdelijk vrede gesloten, maar daarna zijn weer 600.000 mensen omgekomen. Uit de huidige rapporten blijkt dat de militaire confrontaties niet zo groot zijn als de periodes die zijn betrokken bij de vorige rapporten, aldus de gemachtigde van de minister op de zitting.
9.4.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat deze specifieke zaak in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof is beoordeeld, noch uit de motivering van het bestreden besluit volgt, noch uit het verweerschrift. Ook de motivering van de gemachtigde van de minister op de zitting is daarvoor niet toereikend, omdat het onderzoek naar de schaal waarop in Eritrea oorlogsmisdrijven worden begaan voor de rechtbank in het geheel niet inzichtelijk en dus toetsbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de minister om hier op basis van de beschikbare informatie kenbaar onderzoek naar te doen. Eiser heeft daartoe concrete informatie aangeleverd. Daarbij had de minister ook de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser moeten betrekken. Ook de omstandigheid dat de dienstplicht sinds 1998 in de praktijk voor onbepaalde duur is, is daarbij relevant, evenals de omstandigheid dat dienstplichtigen geen inspraak hebben in de aard van de werkzaamheden of de plaats van tewerkstelling [14] . Dat niet aan het tweede cumulatieve vereiste van voorwaarde 1 is voldaan, mist dus een deugdelijke motivering.
9.5.
Het derde cumulatieve vereiste van voorwaarde 1 is dat de vreemdeling aannemelijk moet maken dat dienstweigering (of desertie) in zijn situatie het enige middel is om deelname aan oorlogsmisdrijven te voorkomen. Uit het bestreden besluit blijkt in het geheel niet dat de minister hieraan heeft getoetst. Uit de beschikbare informatie blijkt dat dienstplichtigen geen inspraak hebben in de aard van hun werkzaamheden, vaak slecht worden behandeld en zijn overgeleverd aan hun commandant of leidinggevende [15] . De dienstplicht is officieel voor achttien maanden maar in de praktijk voor onbepaalde duur en er is geen mogelijkheid om op grond van gewetensbezwaren vrijgesteld te worden van de militaire dienstplicht. De Eritrese autoriteiten interpreteerden dienstplichtontduiking en desertie als een gebrek aan loyaliteit aan het regime, en daarmee als landverraad en ze bestraffen het zwaar zoals met langdurige detentie en marteling [16] . Daarmee is voldaan aan het derde cumulatieve vereiste van voorwaarde 1.
9.6.
Gelet op het feit dat het Eritrese leger herhaaldelijk en systematisch oorlogsmisdrijven pleegt, lijkt het de rechtbank zeer waarschijnlijk dat eiser, ongeacht waar hij wordt ingezet, ertoe wordt gedwongen direct of indirect deel te nemen aan het plegen van de betrokken misdrijven. Dat eiser niet voldoet aan de eerste voorwaarde uit het beleid voor de kwalificatie van vluchtelingschap mist daarom een deugdelijke motivering.
Voorwaarde 2) gegronde vrees voor onevenredige bestraffing vanwege dienstweigering en voorwaarde 3) gewetensbezwaren
10. Eiser voert verder aan dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van vluchtelingschap vanwege de onevenredige bestraffing die hem te wachten staat voor dienstweigering of desertie. Eiser heeft het rapport van UNHCR Eritrea Eligibility Guidelines van 12 augustus 2025 aangehaald om aan te tonen dat de bestraffing van dienstweigering of desertie zodanig onevenredig is dat direct sprake is van vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. De voorwaarde die de minister in het bestreden besluit stelt, namelijk dat de bestraffing voor eiser niet anders is dan voor andere dienstweigeraars of deserteurs, ziet enkel op het discriminatoire aspect, terwijl eiser zich beroept op onevenredige bestraffing.
10.1.
De rechtbank heeft de minister op de zitting voorgehouden dat uit het bestreden besluit enkel blijkt dat het discriminatoire aspect getoetst is en niet ook het onevenredigheidsaspect waar eiser een beroep op heeft gedaan. Eiser heeft verklaard dat hij (mede) niet in dienst wil vanwege de oneindige duur van de dienstplicht en dat hij niet wil deelnemen aan oorlogsmisdrijven. De reactie namens de minister op de zitting dat enkel onevenredige bestraffing van dienstweigering onvoldoende is voor de kwalificatie van vluchtelingschap, omdat dienstweigering verband dient te houden met een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag, wat hier niet het geval is, volgt de rechtbank niet zonder meer.
10.2.
De rechtbank verwijst in dat verband naar de in de bijlage van deze uitspraak aangehaalde passages uit het Handboek van UNHCR en met name de passages onder 170 en 171. Hierin staat dat er gevallen zijn waarin de noodzaak tot militaire dienst de enige grond kan zijn om een vluchtelingenstatus aan te vragen, dat wil zeggen wanneer iemand kan aantonen dat het vervullen van militaire dienst zijn deelname aan militaire acties zou hebben vereist die in strijd zijn met zijn oprechte politieke, religieuze of morele overtuigingen, of met geldige gewetensbezwaren. Niet elke overtuiging, hoe oprecht ook, vormt een voldoende reden om na desertie of dienstweigering de vluchtelingenstatus aan te vragen. Het is niet voldoende dat iemand het oneens is met zijn regering over de politieke rechtvaardiging van een bepaalde militaire actie. Wanneer het type militaire actie waarmee een persoon niet geassocieerd wil worden, door de internationale gemeenschap wordt veroordeeld als strijdig met de fundamentele regels van menselijk gedrag, kan de bestraffing voor desertie of dienstweigering, in het licht van alle andere vereisten van de definitie, op zichzelf als vervolging worden beschouwd.
Eiser heeft gewezen op verschillende rapporten waaruit blijkt dat dienstplichtigen in Eritrea gedwongen worden deel te nemen aan de nationale militaire dienst onder dreiging van zware bestraffing en marteling en dat het Eritrese leger zich op grote schaal schuldig maakt aan het plegen van oorlogsmisdrijven.
Voorts verwijst de rechtbank naar de in de bijlage van deze uitspraak aangehaalde rechtsoverwegingen 60 en 61 van het arrest EZ tegen Duitsland, waarin is geoordeeld dat in een gewapend conflict en wanneer er geen wettelijke mogelijkheid is om zich aan militaire verplichtingen te onttrekken, het zeer waarschijnlijk is dat de weigering om de militaire dienst te vervullen door de autoriteiten wordt uitgelegd als een daad van politiek verzet, ondanks de persoonlijke motieven van de betrokkene. Onder deze omstandigheden heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser wegens een (toegedichte) politieke overtuiging en/of gewetensbezwaren geen gegronde vrees heeft voor vervolging en/of onevenredige bestraffing wegens dienstweigering. Dat eiser niet voldoet aan de tweede en de derde voorwaarde uit het beleid voor de kwalificatie van vluchtelingschap mist eveneens een deugdelijke motivering.
11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het standpunt van de minister dat eisers dienstweigering niet tot vluchtelingschap kan leiden, geen standhoudt. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting verklaard dat de door eiser gepleegde strafbare feiten als ‘ernstig’ zijn aangemerkt en dus geen uitsluitingsgrond vormen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Als de rechtbank concludeert dat de motivering over eisers vluchtelingschap geen standhoudt, heeft dat tot gevolg dat het bestreden besluit in zijn geheel geen stand houdt, aldus de gemachtigde van de minister op de zitting. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vernietigen. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
11.1.
De minister dient opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiser en daarbij het per 4 april 2026 gewijzigde beleid op grond van paragraaf C7/13.3.1 van de Vc te betrekken, waarin staat dat personen uit Eritrea die de militaire dienstplicht hebben ontdoken worden aangemerkt als een groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Ook moet de minister betrekken dat eiser onderbouwd heeft dat zijn echtgenote, die in afwachting van zijn asielprocedure in Caïro verbleef, daar is overleden en dat zijn minderjarige kinderen van zes en acht jaar nu tijdelijk worden opgevangen bij het Unaccompanied Children and Youth Department van de StARS-organisatie in Caïro.

Conclusie en gevolgen

12. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 (het zorgvuldigheidsbeginsel) en 3:46 (het motiveringsbeginsel) van de Awb [17] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
12.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
12.2.
Omdat in de hoofdzaak is beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank wijst daarom het verzoek af.
12.3.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL25.13021:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2025;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL25.13022:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, en mr. H.J. Doets en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
en mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.
2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.
3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
b) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;
c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;
d) de vraag of zijn activiteiten, sedert hij zijn land heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld;
e) de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoeker zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen.
4. Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
5. Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:
a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;
c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;
d) de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en
e) vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Artikel 9 (Daden van vervolging) luidt als volgt:
1. Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
a) zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of
b) een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).
2. Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:
[...]
c. onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
[…]
e) vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder het toepassingsgebied van de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, vallen;
[...]
3. Overeenkomstig artikel 2, onder d), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde Pro redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.
e) het begrip ‚politieke overtuiging’ houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde Pro potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
2. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.
1. Daden van vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag moeten:
a. zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, tweede lid, van het EVRM; of
b. een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a.
2 Daden van vervolging in de zin van het eerste lid kunnen onder meer de vorm aannemen van:
[…]
c. onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
[…]
e. vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen;
[…]
3 Er moet een verband zijn tussen enerzijds de gronden voor vervolging genoemd in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag en anderzijds de daden, bedoeld in het eerste lid, die als vervolging worden aangemerkt of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.
1. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag wordt rekening gehouden met de volgende elementen:
[…]
e. het begrip «politieke overtuiging» houdt met name in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 3.37a genoemde potentiële actoren en hun beleid of methoden, ongeacht of de vreemdeling zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.
2 Bij de beoordeling of de vrees van de vreemdeling voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag gegrond is, doet het niet ter zake of de vreemdeling in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.
Handboek over procedures en criteria voor het vaststellen van de vluchtelingenstatus onder het Verdrag van 1951 en het Protocol van 1967 betreffende de status van vluchtelingen [20]
Verdrag van Genève [18]
Richtlijn 2011/95/EU [19]
De overwegingen 2, 4, 12, 24 en 29 van richtlijn 2011/95 luiden:
(2) Een gemeenschappelijk asielbeleid, met inbegrip van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel, behoort tot de doelstelling van de Europese Unie geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en [recht] tot stand te brengen die openstaat voor degenen die onder druk van de omstandigheden op legale wijze om bescherming in de Unie verzoeken.
[...]
(4) Het Verdrag van Genève [...] [vormt] de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.
[...]
(12) Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk [internationale] bescherming behoeven en anderzijds ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.
[...]
(24) Het is nodig gemeenschappelijke begrippen in te voeren van de criteria op grond waarvan asielzoekers als vluchtelingen in de zin van artikel 1 van Pro het Verdrag van Genève worden aangemerkt.
[...]
(29) Een van de voorwaarden om te worden erkend als vluchteling in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève is het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de redenen voor vervolging, namelijk ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep en de daden van vervolging of de afwezigheid van bescherming tegen dergelijke daden.
Volgens artikel 2, onder d), van deze richtlijn wordt hierin onder “vluchteling” verstaan:
een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen [...].
Artikel 4 van Pro deze richtlijn is opgenomen in hoofdstuk II, met als opschrift Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming”, en bepaalt:
Artikel 10 van Pro richtlijn 2011/95 is als volgt verwoord:
1. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:
[...]
Artikel 12 van Pro deze richtlijn heeft als opschrift „Uitsluiting” en bepaalt in lid 2 dat een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:
a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
[...]
Voorschrift Vreemdelingen 2000
Artikel 3.36 luidt als volgt:
In artikel 3.37 staat:

B.Deserteurs en personen die de militaire dienstplicht ontlopen

167. In landen waar militaire dienstplicht verplicht is, is het niet nakomen van deze plicht vaak strafbaar. Bovendien wordt desertie, ongeacht of de militaire dienstplicht verplicht is of niet, steevast beschouwd als een strafbaar feit. De straffen kunnen per land verschillen en worden doorgaans niet beschouwd als vervolging. Angst voor vervolging en straf voor desertie of dienstplichtontduiking vormt op zichzelf geen gegronde vrees voor vervolging volgens de definitie. Desertie of dienstplichtontduiking sluit een persoon daarentegen niet uit van de status van vluchteling, en een persoon kan vluchteling zijn naast deserteur of dienstplichtontduiker.
168. Een persoon is duidelijk geen vluchteling als zijn enige reden voor desertie of dienstplichtontduiking zijn afkeer van militaire dienst of angst voor gevechten is. Hij kan echter wel een vluchteling zijn als zijn desertie of dienstplichtontduiking gepaard gaat met andere relevante motieven om zijn land te verlaten of daarbuiten te blijven, of als hij anderszins redenen heeft, in de zin van de definitie, om vervolging te vrezen.
169. Een deserteur of dienstplichtontduiker kan ook als vluchteling worden beschouwd als kan worden aangetoond dat hij een onevenredig zware straf zou krijgen voor het militaire vergrijp vanwege zijn ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging. Hetzelfde geldt als kan worden aangetoond dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft op deze gronden, bovenop de straf voor desertie.
170. Er zijn echter ook gevallen waarin de noodzaak tot militaire dienst de enige grond kan zijn voor een aanvraag voor de vluchtelingenstatus, dat wil zeggen wanneer iemand kan aantonen dat het vervullen van militaire dienst zijn deelname aan militaire acties zou hebben vereist die in strijd zijn met zijn oprechte politieke, religieuze of morele overtuigingen, of met geldige gewetensbezwaren.
171. Niet elke overtuiging, hoe oprecht ook, vormt een voldoende reden om na desertie of dienstweigering de vluchtelingenstatus aan te vragen. Het is niet voldoende dat iemand het oneens is met zijn regering over de politieke rechtvaardiging van een bepaalde militaire actie. Wanneer echter het type militaire actie waarmee een persoon niet geassocieerd wil worden, door de internationale gemeenschap wordt veroordeeld als strijdig met de fundamentele regels van menselijk gedrag, kan de bestraffing voor desertie of dienstweigering, in het licht van alle andere vereisten van de definitie, op zichzelf als vervolging worden beschouwd.
172. Weigering om militaire dienst te verrichten kan ook gebaseerd zijn op religieuze overtuigingen. Als een aanvrager kan aantonen dat zijn religieuze overtuigingen oprecht zijn en dat deze overtuigingen niet in aanmerking worden genomen door de autoriteiten van zijn land bij het eisen van militaire dienst, kan hij mogelijk een beroep doen op de vluchtelingenstatus. Een dergelijk beroep zou uiteraard worden ondersteund door eventuele aanvullende aanwijzingen dat de aanvrager of zijn familie moeilijkheden heeft ondervonden vanwege hun religieuze overtuigingen.
173. De vraag of bezwaar tegen militaire dienst om gewetensbezwaren aanleiding kan geven tot een geldige aanvraag voor de vluchtelingenstatus, moet ook worden bekeken in het licht van recentere ontwikkelingen op dit gebied. Steeds meer staten hebben wetgeving of administratieve regelingen ingevoerd waarbij personen die zich kunnen beroepen op oprechte gewetensbezwaren, geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van militaire dienst, onder voorwaarde dat zij alternatieve (d.w.z. burgerlijke) dienst verrichten. De invoering van dergelijke wetgeving of administratieve voorschriften is ook onderwerp geweest van aanbevelingen van internationale instanties. [21] In het licht van deze ontwikkelingen staat het de Verdragsstaten vrij om de vluchtelingenstatus te verlenen aan personen die om gegronde gewetensbezwaren bezwaar hebben tegen het vervullen van militaire dienst.
174. De echtheid van iemands politieke, religieuze of morele overtuigingen, of van zijn gewetensbezwaren om bezwaar te maken tegen het vervullen van militaire dienst, zal uiteraard moeten worden vastgesteld door een grondig onderzoek naar zijn persoonlijkheid en achtergrond. Het feit dat hij mogelijk zijn opvattingen heeft geuit voordat hij werd opgeroepen voor militaire dienst, of dat hij mogelijk al moeilijkheden heeft ondervonden met de autoriteiten vanwege zijn overtuigingen, zijn relevante overwegingen. Of hij al dan niet is opgeroepen voor verplichte militaire dienst of zich als vrijwilliger bij het leger heeft aangesloten, kan ook een indicatie zijn van de echtheid van zijn overtuigingen.
Paragraaf C2/3.2.7. van de Vreemdelingencirculaire 2000

Vervolging wegens dienstweigering of desertie

Als de vreemdeling stelt te vrezen te hebben voor vervolging wegens dienstweigering of desertie toetst de IND eerst of de vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd omdat hij vreesde anders te moeten deelnemen aan oorlogsmisdrijven (zie artikel 3.36, tweede lid, onder e, VV). Pas als daarvan geen sprake is, toetst de IND of dienstweigering of desertie leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing dan wel of deze voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege een godsdienst of andere diepgewortelde overtuiging. Het feit dat die vreemdeling weigert zijn militaire dienst te vervullen of is gedeserteerd en in verband hiermee bestraft wordt met een gevangenisstraf of ontslag uit het leger, is voor de IND op zichzelf onvoldoende om als daad van vervolging aan te merken.
De IND verleent, onder toepassing van artikel 3.36 VV en overeenkomstig vorenstaande, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:
1. De vreemdeling heeft, overeenkomstig artikel 3.36 tweede lid, onder e, VV aannemelijk gemaakt te vrezen voor vervolging of bestraffing wegens dienstweigering tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst het plegen van strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsclausule van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen.
De IND betrekt bij de beoordeling van de aannemelijkheid alle omstandigheden van het geval, met name de situatie in het land van herkomst op het betreffende moment en de persoonlijke situatie van de vreemdeling.
De IND hanteert hierbij de volgende drie cumulatieve voorwaarden:
• De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat sprake is van een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan dan wel de kans zeer groot is dat dergelijke misdrijven worden begaan. De vreemdeling onderbouwt dit met concrete informatie over de gepleegde oorlogsmisdrijven. Is deze informatie er niet, dan neemt de IND in beginsel aan dat de kans groot is dat oorlogsmisdrijven worden gepleegd als de internationale gemeenschap een gewapend conflict heeft veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of als strijdig met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Ditzelfde geldt als door de bevoegde internationale rechtsprekende instanties (International Criminal Court, VN-tribunalen) uitspraken zijn gedaan over schendingen van fundamentele normen begaan tijdens het conflict. De vreemdeling heeft een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat er oorlogsmisdrijven worden gepleegd tijdens het gewapend conflict als het land van herkomst de betreffende militaire acties uitvoert krachtens een mandaat van de VN dan wel op basis van internationale consensus. Dan vindt de IND in beginsel niet aannemelijk dat het land van herkomst oorlogsmisdrijven pleegt dan wel dat de kans daarop groot is. De vreemdeling heeft ook een zwaardere bewijslast om aannemelijk te maken dat er oorlogsmisdrijven worden gepleegd tijdens het gewapend conflict als de autoriteiten in het land van herkomst oorlogsmisdrijven, gepleegd door eigen legeronderdelen, niet aanvaardbaar vinden en deze actief (strafrechtelijk) vervolgen.
• De vreemdeling moet behoren tot het militaire personeel, met inbegrip van het logistieke of ondersteunende personeel. Hij dient aannemelijk te maken dat hij een functie en taken had of deze zou moeten vervullen, waardoor hij direct deelneemt aan deze oorlogsmisdrijven dan wel onontbeerlijke ondersteuning zou (moeten) bieden aan de voorbereiding of uitvoering van deze oorlogsmisdrijven. De IND betrekt de schaal waarop oorlogsmisdrijven worden begaan bij de vraag of het aannemelijk is dat de vreemdeling zich daaraan schuldig zal maken als een vreemdeling is opgeroepen voor het verrichten van militaire dienst, maar nog niet weet wat zijn taken zullen zijn. Daarnaast beoordeelt de IND in dit licht wat de persoonlijke betrokkenheid van de vreemdeling bij het begaan van oorlogsmisdrijven zal zijn.
• De vreemdeling dient aannemelijk te maken dat dienstweigering (of desertie) in zijn situatie het enige middel is om deelname aan oorlogsmisdrijven te voorkomen. De vreemdeling kan bescherming op grond van artikel 3.36, tweede lid, onder e VV niet inroepen, als hij een ander middel daartoe heeft. Als de vreemdeling binnen het leger de mogelijkheid heeft om op grond van gewetensbezwaren vrijgesteld te worden, en hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, kan hij dus geen beroep doen op bescherming op grond van deze bepaling. Hierbij betrekt de IND ook of de vreemdeling vrijwillig in dienst is getreden en of hij zijn dienst heeft verlengd. Hierbij houdt de IND rekening met de situatie, zoals deze op het moment van vrijwillige dienstneming of verlenging van de dienstneming bestond. De IND betrekt dus in hoeverre het de vreemdeling toen al duidelijk was of had moeten zijn dat sprake was van een gewapend conflict, waarbij oorlogsmisdrijven werden gepleegd en hij door die vrijwillige dienstneming daar deel aan zou gaan nemen.
De vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Voor deze categorie geldt dat het gewone beleid van toepassing is, zoals hierboven in deze paragraaf uiteengezet is. De IND beoordeelt in zo’n geval de ernst van de behandeling, waarvoor de vreemdeling te vrezen heeft op grond van de dienstweigering of desertie (zie artikel 3.36 tweede lid onder b en c, VV).
De vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen. Er is bovendien een reële kans dat het niet vervullen van de militaire dienstplicht leidt tot oplegging van een onevenredige zware (straf)maatregel of tot oplegging van een samenstel van verschillende maatregelen, die in samenhang kunnen worden aangemerkt als een onevenredige bestraffing. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 november 2020, in de procedure EZ tegen Duitsland [22]
[…]

Derde vraag

33 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat voor een dienstplichtige die weigert om zijn militaire dienst te vervullen tijdens een conflict maar niet weet hoe en waar hij als militair zal worden ingezet, de vervulling van zijn militaire dienst inhoudt dat hij misdrijven begaat of handelingen verricht zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn, louter op grond van het feit dat de strijdkrachten van zijn land van herkomst keer op keer en stelselmatig met inzet van dienstplichtigen dergelijke strafbare feiten of handelingen begaan.
34 Het staat uitsluitend aan de nationale autoriteiten om onder rechterlijk toezicht te beoordelen of het vervullen van de militaire dienst door de persoon die op grond van artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 om toekenning van de vluchtelingenstatus verzoekt, noodzakelijkerwijs – of althans zeer waarschijnlijk – tot gevolg zou hebben dat hij de in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn bedoelde misdrijven begaat (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, [naam], C472/13, EU:C:2015:117, punt 40).
35 Deze beoordeling van de feiten moet gebaseerd zijn op een reeks aanwijzingen waarmee – gelet op alle omstandigheden van het geval, met name die betreffende de relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, en de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker – kan worden aangetoond dat de omstandigheden in hun geheel het begaan van de gestelde oorlogsmisdrijven aannemelijk maken (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, [naam], C472/13, EU:C:2015:117, punt 46).
36 Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat situaties waarin de aanvrager slechts indirect aan dergelijke misdrijven deelneemt, met name omdat hij niet tot de gevechtstroepen behoort maar bijvoorbeeld bij een logistieke of ondersteunende eenheid is ingedeeld, niet principieel uitgesloten zijn (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, [naam], C472/13, EU:C:2015:117, punt 37).
37 In de context van de algemene burgeroorlog die in Syrië woedde op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek van de betrokkene werd genomen, dat wil zeggen in april 2017, en in het bijzonder gelet op het feit dat het Syrische leger – met inbegrip van de uit dienstplichtigen bestaande eenheden – herhaaldelijk en stelselmatig oorlogsmisdrijven heeft gepleegd die volgens de verwijzende rechter goed zijn gedocumenteerd, lijkt het zeer waarschijnlijk dat een dienstplichtige, ongeacht waar hij wordt ingezet, ertoe wordt gedwongen direct of indirect deel te nemen aan het plegen van de betrokken misdrijven, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
38 Bijgevolg moet artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 aldus worden uitgelegd dat voor een dienstplichtige die weigert om zijn militaire dienst te vervullen tijdens een conflict maar niet weet hoe en waar hij als militair zal worden ingezet, de vervulling van zijn militaire dienst in de context van een algemene burgeroorlog waarin het leger herhaaldelijk en systematisch misdrijven begaat of daden pleegt zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn en waarbij dit leger gebruikmaakt van dienstplichtigen, inhoudt dat deze dienstplichtige direct of indirect deelneemt aan het plegen van dergelijke misdrijven of daden, ongeacht waar hij wordt ingezet.
[…].
57 In dit verband moet worden benadrukt dat er een sterk vermoeden bestaat dat de weigering om onder de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde omstandigheden de militaire dienst te vervullen, verband houdt met één van de vijf in artikel 10 van Pro die richtlijn genoemde gronden.
58 In de eerste plaats is het door de verduidelijking van de in artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 vermelde daden van vervolging evident dat de Uniewetgever dienstweigeraars het verkrijgen van de vluchtelingenstatus niet heeft willen bemoeilijken door een aanvullende voorwaarde te stellen voor het verkrijgen van die status, maar juist heeft geoordeeld dat deze vervolgingsgrond over het algemeen verband houdt met ten minste één van de vijf vervolgingsgronden die recht geven op de vluchtelingenstatus. Het feit dat gewetensbezwaarde dienstweigeraars die in de situatie verkeren dat het vervullen van de militaire dienst hen zou verplichten misdrijven tegen de vrede, oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid te begaan, in deze richtlijn apart worden vermeld, strookt immers volledig met de uitsluiting van de vluchtelingenstatus die volgens artikel 12 van Pro deze richtlijn voor de daders van de bovengenoemde misdrijven geldt.
59 In de tweede plaats doet, zoals de advocaat-generaal in punt 75 van haar conclusie uiteenzet, de weigering om militaire dienst te vervullen, in het bijzonder wanneer daar zware straffen op staan, veronderstellen dat de waarden en politieke of religieuze overtuigingen van de betrokkene sterk conflicteren met die van de autoriteiten van het land van herkomst.
60 In de derde plaats is het in een gewapend conflict – met name bij een burgeroorlog – en wanneer er geen wettelijke mogelijkheid is om zich aan militaire verplichtingen te onttrekken, zeer waarschijnlijk dat de weigering om de militaire dienst te vervullen door de autoriteiten wordt uitgelegd als een daad van politiek verzet, ongeacht de mogelijkerwijs ingewikkeldere persoonlijke motieven van de betrokkene. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2011/95 bepaalt immers dat „[b]ij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, [...] het niet ter zake [doet] of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven”.
61 Uit een en ander volgt dat artikel 9, lid 2, onder e), juncto artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het niet als vaststaand gegeven geldt dat er een verband bestaat tussen de in artikel 2, onder d), alsook in artikel 10 van Pro deze richtlijn genoemde gronden en de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde vervolging en bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, louter omdat deze vervolging en bestraffing verband houden met die weigering. Niettemin bestaat er een sterk vermoeden dat de weigering om onder de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde omstandigheden de militaire dienst te vervullen, verband houdt met één van de vijf in artikel 10 ervan Pro genoemde gronden. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten om, gelet op alle omstandigheden van het geval, na te gaan of dit verband aannemelijk is.
[…].
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Schengeninformatiesysteem.
2.Dat is het besluit van 18 maart 2025.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw.
5.Vreemdelingencirculaire 2000.
7.Richtlijn 2011/95/EU.
8.Zaak C-472/13, ECLI:EU:C:2015:117.
9.Hof van Justitie voor de Europese Unie.
10.Handbook on procedures and criteria for determining refugee status and Guidelines on international protection.
11.United Nations High Commissioner for Refugees.
12.Hoofdstuk 5, paragraaf 171, pagina’s 38 en 39.
13.Zie de aangehaalde passages uit dit arrest in de bijlage van deze uitspraak.
14.Algemeen ambtsbericht 2023, pagina 39 en algemeen ambtsbericht 2025, pagina 29.
15.Algemeen ambtsbericht 2023, pagina’s 39 en 40 en algemeen ambtsbericht 2025, pagina 29.
16.Algemeen ambtsbericht 2025, pagina 32.
17.Algemene wet bestuursrecht.
18.Het op 22 april 1954 in werking getreden Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], zoals aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen dat op 31 januari 1967 te New York is gesloten en op 4 oktober 1967 in werking is getreden.
19.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking); ook bekend als Kwalificatierichtlijn en Definitierichtlijn.
20.HCR/IP/4/Eng/REV.1 Reedited, Geneva, January 1992, UNHCR 1979.
21.Vgl. Aanbeveling 816 (1977) betreffende het recht op gewetensbezwaar tegen militaire dienst,
22.ECLI:EU:C:2020:945.