ECLI:NL:RBDHA:2026:989
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters rechtbank Den Haag wegens gebrek aan onderbouwing
Op 7 januari 2026 diende verzoeker een mondeling wrakingsverzoek in tegen de rechters Y.J. Wijnnobel-van Erp, S. Pereth en K.M. de Groes van de rechtbank Den Haag. Verzoeker baseerde zijn verzoek op artikel 5 lid 4 EVRM Pro, artikelen 126m en 326 lid 2 Sv en artikelen 7 en 8 van het Unierecht, stellende dat er sprake zou zijn van vooringenomenheid en onherstelbaar vormverzuim.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat een rechter alleen gewraakt kan worden indien er bijzondere omstandigheden zijn die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor partijdigheid of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Verzoeker heeft echter nagelaten concrete feiten aan te dragen die deze vrees onderbouwen.
Uit het proces-verbaal bleek bovendien niet dat de rechters iets hebben gezegd of gedaan dat aanleiding gaf tot de gevreesde vooringenomenheid. De wrakingskamer concludeerde daarom dat het verzoek kennelijk ongegrond is en wees het af.
De wrakingskamer besloot dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals het was ten tijde van het wrakingsverzoek. Er is geen reden tot mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek gezien het ontbreken van debat over de gegrondheid. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters wordt afgewezen wegens het ontbreken van concrete feiten die vooringenomenheid aantonen.