ECLI:NL:RBDHA:2026:989
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan onderbouwing van vooringenomenheid rechters
Op 21 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan op een wrakingsverzoek van een verzoeker in een strafzaak. Het verzoek tot wraking was gebaseerd op de artikelen 5 lid 4 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), artikelen 126m en 326 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en artikelen 7 en 8 van het Unierecht. De verzoeker stelde dat er sprake was van vooringenomenheid van de rechters, maar de wrakingskamer oordeelde dat de verzoeker niet voldoende concrete feiten had aangedragen die deze vrees konden onderbouwen. De wrakingskamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat er bijzondere omstandigheden nodig zijn om aan te nemen dat deze onpartijdigheid in het geding is. Aangezien de verzoeker geen zwaarwegende aanwijzingen voor de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid had kunnen aanvoeren, werd het verzoek tot wraking afgewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken, en er werd bepaald dat het proces in de hoofdzaak voortgezet zou worden in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.