Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9875

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
NL25.57526
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vertrek asielzoeker

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie waarin zijn asielaanvraag van 26 juni 2023 werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep zonder zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank stelde vast dat eiser de opvang per 3 april 2026 had verlaten en sindsdien met onbekende bestemming was vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan dat het laatste contact telefonisch op 23 februari 2026 was geweest. Gezien deze omstandigheden en vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, concludeerde de rechtbank dat eiser geen belang meer had bij de inhoudelijke behandeling van zijn beroep.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 21 april 2026 en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vertrek uit opvang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57526

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 26 juni 2023.
Bij het besluit van 17 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. [2]
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [3] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep.
2. Naar aanleiding van het bericht van verweerder van 7 april 2026, waaruit blijkt dat eiser de opvang heeft verlaten per 3 april 2026 en met onbekende bestemming is vertrokken, heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om kenbaar te maken wanneer hij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft op 15 april 2026 meegedeeld dat hij voor het laatst op 23 februari 2026 telefonisch contact heeft gehad met eiser.
3. Gelet op deze omstandigheden en vaste jurisprudentie van de Afdeling neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de door hem aanvankelijke gezochte internationale bescherming in Nederland. [4] Eiser heeft dan ook geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.