Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9848

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
C/671600 / HA ZA 24-722
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 241 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding schade woning door onrechtmatige funderingswerkzaamheden

Eisers vorderen schadevergoeding wegens onrechtmatige funderingswerkzaamheden door gedaagden onder hun woning. De rechtbank volgt eerdere tussenvonnissen en schat de schade zonder deskundigenadvies, waarbij herstelkosten worden geïndexeerd tot €257.795 en een waardevermeerdering van 20% wordt verrekend.

De rechtbank verwerpt het rapport van een door gedaagden ingeschakelde taxateur omdat het causaal verband reeds is vastgesteld. De waardevermeerdering wordt vastgesteld op €32.075,80, waardoor de netto schade €143.626,24 bedraagt na verrekening van voorschotten en waardevermeerdering.

Daarnaast worden deskundigenkosten van €2.673,80 toegewezen, terwijl buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van proceskosten en wettelijke rente over schade en kosten. Vorderingen in reconventie worden afgewezen.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van €143.626,24 schadevergoeding, deskundigenkosten en proceskosten met wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/671600 / HA ZA 24-722
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van

1.[eisers sub 1] te [woonplaats] ,2. [eisers sub 2] te [woonplaats] ,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,
advocaat: mr. C.G. Huijsmans,
tegen

1.[gedaagden sub 1] te [woonplaats] ,2. [gedaagden sub 2] te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,
advocaat: mr. H.C. Uittenbogaart.
Partijen worden hierna [eisers sub 1] , [eisers sub 2] , [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 21 januari 2026;
  • de akte uitlaten van de zijde van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] , met producties 17, 18 en 19;
  • de akte uitlating tevens overleggen productie van de zijde van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] , met productie 1.

2.Overwegingen

In conventie
Tussenvonnis V
2.1.
Bij het tussenvonnis van 21 januari 2026 heeft de rechtbank laten weten dat zij bij het schatten van de schade van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] aansluiting zou zoeken bij het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:4948, en dat bij deze schatting de kosten van het funderingsherstel van belang zijn. De rechtbank heeft [eisers sub 1] en [eisers sub 2] in de gelegenheid gesteld om te onderbouwen van welke herstelkosten, per 15 februari 2026, moet worden uitgegaan. Vervolgens zouden [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] in de gelegenheid worden gesteld om daarop te reageren.
Reactie [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2]
2.2.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] hebben bij hun akte uitlating een rapport overgelegd van de heer [naam 1] van De Taxatie Company van 13 februari 2026. In opdracht van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] heeft [naam 2] zijn oordeel gegeven over (i) de omvang van de kosten van herstel en (ii) de invloed van de huidige staat van de fundering, alsmede van eventueel uit te voeren funderingswerkzaamheden, op de marktwaarde van de woning van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] .
2.3.
De rechtbank gaat aan de akte uitlating van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] en dit rapport voorbij. Daartoe overweegt zij het volgende.
2.4.
Bij tussenvonnis van 16 april 2025 is de rechtbank ingegaan op het verweer van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] dat er geen actuele schade is als gevolg van de door hen aangebrachte paalfundering. Ook is de rechtbank ingegaan op de door [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] aangevoerde alternatieve schadeoorzaken. De rechtbank heeft deze verweren verworpen. Zoals in dat tussenvonnis voorts staat, is partijen in het kader van de gevorderde schadevergoeding gevraagd om tijdens de schorsing van de zitting van 12 maart 2025 te overleggen over een mogelijk te benoemen taxateur en heeft dit niet tot suggesties geleid. De rechtbank heeft vervolgens, met input van partijen, bij tussenvonnis van 10 september 2025 C. Vervaet-van Horssen (hierna: Vervaet) tot deskundige benoemd.
2.5.
Nadat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] er bezwaar tegen hadden gemaakt dat Vervaet in het kader van haar onderzoek op het [adres 1] was geweest zonder dat zij daarbij aanwezig waren, heeft de rechtbank partijen bij e-mail van 18 november 2025 - kort gezegd - drie opties voorgelegd: het voortzetten van het onderzoek door Vervaet, het benaderen van een andere taxateur en het maken van een schatting van de schade zonder advies van een deskundige. Bij tussenvonnis van 31 december 2025 heeft de rechtbank de voorkeur van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] voor het benaderen van een andere taxateur gevolgd, waarbij zij heeft laten weten dat, indien dit niet zou lukken, de rechtbank de schade van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] zou schatten zonder advies van een deskundige en daarmee tegemoet zou komen aan de behoefte van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] om zo snel mogelijk duidelijkheid te hebben over de uiteindelijke schadevergoeding.
2.6.
Bij tussenvonnis van 21 januari 2026 heeft de rechtbank overwogen dat de betreffende taxateur niet bereid was onderzoek te verrichten in deze zaak en dat de rechtbank de schade van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] zou schatten zonder advies van een deskundige.
2.7.
De akte uitlating en het rapport van De Taxatie Company hebben voor een deel betrekking op het causaal verband tussen de schade van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] en het aanbrengen van een paalfundering onder de voorgevel, zijgevel en aanbouw van [adres 2] . Over dit verband heeft de rechtbank zowel in de hoofdprocedure als in het tussenvonnis van 16 april 2025 beslist. Dit aspect is nu dan ook niet meer aan de orde. De in het rapport van De Taxatie Company besproken invloed van funderingswerkzaamheden op de marktwaarde van de woning van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] is thans wel aan de orde, maar, zoals volgt uit het voorgaande, heeft de rechtbank na verschillende pogingen om deze invloed door een deskundige te laten inschatten bepaald dat de schade zou worden geschat zonder advies van een deskundige. Voor het inbrengen van een taxatierapport van een door [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] ingeschakelde deskundige bestond dan ook geen ruimte meer.
Schadevergoeding
2.8.
Zoals volgt uit het tussenvonnis van de rechtbank van 16 april 2025, zal de rechtbank bij het schatten van de schadevergoeding de waardevermeerdering van de woning van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] als gevolg van het herstel van de fundering in mindering brengen op de herstelkosten.
Herstelkosten
2.9.
Zoals de rechtbank tevens heeft overwogen in haar tussenvonnis van 16 april 2025, zal zij het rapport van Stab tot uitgangspunt nemen bij het begroten van de herstelkosten. Voor dit rapport heeft ABT bv (hierna: ABT) een kostenraming gemaakt. De kosten voor het funderingsherstel bedroegen, uitgaande van het prijspeil van augustus 2023, afgerond € 235.000,00 inclusief btw.
2.10.
[eisers sub 1] en [eisers sub 2] stellen zich op het standpunt dat het bedrag van € 235.000,00 inclusief btw moet worden vermeerderd met een prijsindexcijfer van 9,7%. Deze index baseren zijn op bouwkostenkompas.nl.
2.11.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] hebben het prijsindexcijfer niet bestreden. De rechtbank hanteert daarom dit prijsindexcijfer bij het berekenen van de herstelkosten. Dit leidt tot herstelkosten, uitgaande van het prijspeil van 15 februari 2026, van € 257.795,00.
Waardevermeerdering
2.12.
Om het voordeel van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] van het laten aanbrengen van een paalfundering onder [adres 1] te schatten, sluit de rechtbank aan bij het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:4948. In dat vonnis staat:
‘4.19 De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] geacht moet worden een voordeel te hebben van het funderingsherstel. Ter toelichting daarvan dient het volgende. [eiser 1] kocht de woning in 2007 met de wetenschap dat de fundering van de woning in 1997 was ingedeeld in funderingsklasse 2. Naar in Amsterdam algemeen bekend is houdt dat in, dat de fundering in redelijke tot goede staat verkeert en dat het advies is om binnen 25 jaar maatregelen te treffen aan de fundering. Voor het verkrijgen van een vergunning aan een pand of voor een splitsingsvergunning wordt in Amsterdam doorgaans de voorwaarde gesteld dat de fundering voldoet aan de eisen van funderingsklasse 2. [eiser 1] heeft de woning tien jaar na 1997 gekocht. Het is te kort door de bocht om een simpele rekensom toe te passen en dan te oordelen dat de verwachting ten tijde van de koop mocht zijn dat de fundering nog vijftien jaar zou meegaan, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd; funderingen gedragen zich niet volgens een wiskundig rekenmodel. Het geeft voor de gerechtvaardigde verwachting die
[eiser 1] ten tijde van de koop mocht hebben echter wel een indicatie: [eiser 1] kocht een woning waarvan hij wist dat de fundering ervan tien jaar eerder in funderingsklasse 2 was ingedeeld. De staat van een fundering wordt in de loop van de jaren niet beter en het betrof nog steeds de oorspronkelijke paalfundering. Dat betekent dat er een zeker risico was dat het pand op een niet denkbeeldige termijn gebreken zou gaan vertonen en ingrepen nodig zouden zijn. Daartegenover staat dat [eiser 1] nu over een nieuwe, betonnen fundering beschikt, gefundeerd op een veel dieper liggende zandlaag, welke fundering doorgaans gedurende vele decennia onderhoudsvrij is en niet vervangen hoeft te worden. Dat betekent dat er gedurende enkele decennia nauwelijks risico’s meer bestaan ten aanzien van de fundering; niet ten aanzien van herstelkosten en niet ten aanzien van de waarde van de woning. Ook voor een potentiële koper bestaat derhalve nauwelijks een risico op funderingsgebreken en daarmee gepaard gaande ongemakken en kosten, en bovendien heeft de fundering een aanzienlijk langere levensduur en betere kwaliteit. Dat vertaalt zich doorgaans in een hogere koopprijs, zodat in zoverre moet worden aangenomen dat de waarde van de woning door de nieuwe fundering is toegenomen. Dat de makelaar van [eiser 1] hierover anders heeft verklaard maakt deze beoordeling niet anders. Immers, de makelaar heeft in zijn hiervoor vermelde brief opgenomen dat hij
zeker gezien de huidige marktomstandighedengeen waardestijging ten opzichte van de in 2007 betaalde koopprijs ziet. Het is dan ook goed mogelijk dat de woning ten tijde van de verklaring van de makelaar, oktober 2012, in absolute termen niet meer waard was dan ten tijde van de aankoop (in 2007, nog voor de vastgoedcrisis), maar dat staat er niet aan in de weg dat de woning door de nieuwe fundering als zodanig een hogere waarde heeft dan met de oude fundering en dat daardoor de vermogenstoestand van [eiser 1] is verbeterd.
Gelet op het voorgaande is het ook redelijk om dat voordeel bij de vaststelling van de schade te verrekenen.
4.2
Bij gebreke van concrete bedragen - het bedrag van € 100.000,00 dat volgens [gedaagde] van de schade moet worden afgetrokken is niet nader onderbouwd - zal de rechtbank schattenderwijs een percentage op de kosten van het funderingsherstel hanteren ter vaststelling van het te verrekenen voordeel. Daarbij houdt de rechtbank rekening mee dat [eiser 1] niet om dat voordeel heeft gevraagd - hij kan immers niet kiezen voor gedeeltelijk funderingsherstel - en dat [eiser 1] ook niet zeker is of hij het voordeel ook echt kan verzilveren. Gesteld noch gebleken is voorts dat [eiser 1] direct een voordeel heeft van de vernieuwde fundering. Daarom zal een beperkt percentage worden toegepast. De rechtbank acht gelet op alle omstandigheden in redelijkheid een percentage van 20 % passend. Dit percentage zal worden toegepast op de nader vast te stellen kosten van funderingsherstel, zonder de kosten voor herinrichting, verhuizing en dergelijke.’
Kosten bij berekening waardevermeerdering
2.13.
Zoals is overwogen in voormeld vonnis van de rechtbank Amsterdam, zijn voor berekening van de waardevermeerdering de kosten van funderingsherstel van belang, zonder de kosten voor herinrichting, verhuizing en dergelijke. [eisers sub 1] en [eisers sub 2] stellen zich - met inachtneming daarvan – op het standpunt dat van de kostenraming van ABT de volgende posten niet meegerekend mogen worden:
B1B t/m B1H Bouwkundige werken
B2 Installaties
B3 Vaste inrichtingen en voorzieningen
B4 Terrein
B5 Algemene Uitvoeringskosten/diversen (79.6% niet - 20,4% wel)
2.14.
In de kostenraming van ABT staat verder dat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] zelf ook een bijdrage moeten leveren ten behoeve van het funderen van de mandelige muur van € 10.000,00 exclusief indexering en btw. Het deel van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] bedraagt dan volgens [eisers sub 1] en [eisers sub 2] € 66.463,00. Dit bedrag moet worden geïndexeerd, hetgeen op basis van bouwkostenkompas.nl betekent dat het gaat om € 72.910,00. Met bijkomende kosten gaat het om € 80.484,00; vermeerderd met btw gaat het om € 97.386,00.
2.15.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] hebben deze berekening niet bestreden. De rechtbank ziet ook zelf geen aanleiding om deze berekening niet te volgen.
Percentage
2.16.
[eisers sub 1] en [eisers sub 2] stellen zich op het standpunt dat de rechtbank uit moet gaan van een lager percentage dan de rechtbank Amsterdam in bovenvermeld vonnis. In de zaak die leidde tot dat vonnis stond min of meer vast dat de betreffende eisers binnen vijftien jaar zelf zouden moeten overgaan tot herstel of preventief herstel, aldus [eisers sub 1] en [eisers sub 2] . In de onderhavige zaak was er voor [eisers sub 1] en [eisers sub 2] geen aanleiding om de woning te funderen, de Stab ging in haar rapport uit van een eventuele aanpak over enkele decennia.
2.17.
Zoals volgt uit de hierboven opgenomen overweging 4.19 van de rechtbank Amsterdam, vond deze rechtbank het te kort door de bocht om te oordelen dat de fundering nog vijftien jaar zou meegaan. Funderingen gedragen zich niet volgens een wiskundig rekenmodel. Ook in de onderhavige zaak is niet precies te zeggen wanneer funderingsherstel nodig zou zijn geweest als er geen sprake zou zijn geweest van funderingswerkzaamheden in 2019 en de onderheide aanbouw die in 2016 aan [adres 2] is aangebracht. In het rapport van de Stab staat dat op staal gefundeerde gebouwen in een veengebied gevolgen ondervinden van bodemdaling. Bij woningen van deze aard op deze locatie zal volgens de Stab in de komende decennia funderingsherstel noodzakelijk zijn.
2.18.
De rechtbank acht de situatie in de onderhavige zaak voldoende vergelijkbaar met de zaak die heeft geleid tot voormeld vonnis van de rechtbank Amsterdam. Het percentage van 20% is beperkt. Dat [eisers sub 1] en [eisers sub 2] mogelijk niet zelf funderingsherstel hadden hoeven verrichten als geen sprake zou zijn geweest van funderingswerkzaamheden in 2019 en de onderheide aanbouw die in 2016 aan [adres 2] is aangebracht, moet geacht worden te zijn verdisconteerd in dit percentage.
Waardevermeerdering
2.19.
Het voorgaande betekent dat de waardevermeerdering als gevolg van het herstel van de fundering neerkomt op 20% van (€ 257.765,00 - € 97.386,00 =) € 160.379,00, dus € 32.075,80.
Tussenconclusie
2.20.
Bij vonnis van 15 mei 2024 heeft de rechtbank [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] veroordeeld tot betaling van een voorschot op de te lijden schade ter hoogte van € 82.092,96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020. Dit betekent dat nog een bedrag aan schade resteert van (€ 257.795,00 - € 32.075,80 - € 82.092,96 =) € 143.626,24. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toekennen over een bedrag van (€ 143.626,24 -€ 82.092,96 =) € 61.533,28.
Deskundigenkosten
2.21.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro kunnen kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen, als er voldaan is aan de dubbele redelijkheidstoets. Die toets houdt in dat de kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn en de kosten naar hun aard en omvang redelijk zijn.
2.22.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] weerspreken dat de door [eisers sub 1] en [eisers sub 2] gevorderde kosten voor adviezen van deskundigen, zoals weergegeven onder 3.2 van het tussenvonnis van 16 april 2025, kosten zijn in de zin van artikel 6:96 lid Pro 2, aanhef en onder b, BW. Volgens hen verzuimen [eisers sub 1] en [eisers sub 2] duidelijk te maken waar de betreffende kosten en facturen op zien en of deze noodzakelijk zijn gemaakt.
2.23.
Anders dan [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] , is de rechtbank van oordeel dat [eisers sub 1] en [eisers sub 2] duidelijk hebben gemaakt waar de gevorderde kosten op zien. In de dagvaarding hebben zij vermeld:
‘a. A. Opstal: rapportage en advies naar aanleiding van verweer van [gedaagden sub 1] , met een bedrag van € 503,66 d.d. 4 mei 2022 (
productie 5);
b. Blauwdruk berekening gewichtsstaat met een bedrag van € 350,90 d.d. 1 maart 2022 (
productie 6);
c. [adviesbureau 1]: rapportage en beoordeling van de funderingsversterking en berekeningen met betrekking tot de door [gedaagden sub 1] nadien aangevraagde omgevingsvergunning met een bedrag van € 1.376,38 (
productie 7);
d. [adviesbureau 1]: beoordeling concept deskundigenverslag met en bedrag van € 442,86 d.d. 28 oktober 2023 (
productie 8);
e. [adviesbureau 2] met een bedrag van € 629,20 d.d. 20 februari 2023 (
productie 9);’
2.24.
Met de omschrijvingen onder a tot en met d hebben [eisers sub 1] en [eisers sub 2] naar het oordeel van de rechtbank voldoende gesteld dat het redelijkerwijs noodzakelijke kosten betreft. In de hoofdprocedure was immers in geschil of de door [eisers sub 1] en [eisers sub 2] gestelde schade het gevolg was van de funderingswerkzaamheden van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] . Ook zijn de onder a tot en met d gevorderde kosten naar hun aard en omvang redelijk.
2.25.
Dit geldt niet voor de omschrijving onder e. In de factuur zelf staat dat het gaat om uitgevoerde werkzaamheden ten behoeve van ‘bovenvermeld project in de periode januari 2023’. In de aanhef staat, zoals in de dagvaarding, dat het gaat om ‘Geotechnisch advies [gebied] ’. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee onvoldoende onderbouwd dat het advies betrekking heeft op het onrechtmatig handelen van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] . Dit klemt temeer nu op 21 september 2023 een omgevingsvergunning is verleend aan [eisers sub 1] voor de bouw van vier appartementen met bergingen en insteekhavens op het terrein naast de woning van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] (beroepschrift van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] , overgelegd door [eisers sub 1] en [eisers sub 2] in de hoofdprocedure als productie 17) en dit bouwplan ook als een project kan worden beschouwd.
2.26.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de gevorderde deskundigenkosten toewijzen tot een bedrag van (€ 503,66 + € 350,90 + € 1.376,38 + € 442,86 =) € 2.673,80.
2.27.
[eisers sub 1] en [eisers sub 2] hebben in hun schadestaat bij de deskundigenkosten tevens een post opgenomen voor ‘Inflatie op kosten vanaf 1 september 2023’. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bedrag aan inflatie toe te kennen. Het betreft geen toekomstige schade, maar kosten waarvan de rechtbank begrijpt dat [eisers sub 1] en [eisers sub 2] deze al hebben betaald. Onduidelijk is waarom [eisers sub 1] en [eisers sub 2] recht zouden hebben op een bedrag aan inflatie.
2.28.
De gevorderde wettelijke rente over de deskundigenkosten zal de rechtbank toewijzen met ingang van de datum van de dagvaarding, nu [eisers sub 1] en [eisers sub 2] zelf niets hebben gesteld over de ingangsdatum.
Wettelijke rente over proceskosten hoofdprocedure
2.29.
Bij vonnis van 15 mei 2024 heeft deze rechtbank [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 21.877,24, te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
2.30.
Volgens vaste rechtspraak dient tot uitgangspunt dat de hoofdprocedure ertoe dient om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding vast te stellen. [1] Dat brengt mee dat in de onderhavige schadestaatprocedure slechts die schadeposten aan de orde kunnen komen die zijn veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde onrechtmatige daad van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] .
2.31.
De rechtbank begrijpt dat [eisers sub 1] en [eisers sub 2] stellen dat [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] schadevergoeding verschuldigd zijn wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, te weten het bedrag van € 21.877,24. Dit is echter geen schade die is veroorzaakt door de in de hoofdprocedure vastgestelde onrechtmatige daad van [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] , namelijk het aanbrengen van een paalfundering onder de voorgevel, zijgevel en aanbouw van [adres 2] . De gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 21.877,24 zal dus worden afgewezen.
2.32.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een zodanige schadevergoeding alleen zou kunnen worden toegekend als de schuldenaar met de voldoening van de geldsom in verzuim is geweest (artikel 6:119 lid 1 BW Pro). [eisers sub 1] en [eisers sub 2] hebben niet gesteld dat zij [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] (door aanschrijving) in verzuim zijn met de betaling van de proceskosten.
Buitengerechtelijke kosten
Kosten voor advies [adviesbureau 2]
2.33.
[eisers sub 1] en [eisers sub 2] hebben in hun akte uitlaten een bedrag van € 2.456,30 aan aanvullende buitengerechtelijke kosten gevorderd voor een advies van [adviesbureau 2]. Dit advies was volgens hen nodig om in de appelprocedure een antwoordakte te kunnen onderbouwen.
2.34.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] hebben geen bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van de eis. De rechtbank gaat hierop daarom inhoudelijk in.
2.35.
Artikel 6:96 lid 2 onder Pro c BW betreft redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de kosten van het advies van [adviesbureau 2] niet als zulke kosten worden aangemerkt. Deze kosten zijn immers gemaakt in het kader van de hoger-beroepsprocedure en vallen onder de uitputtende en exclusieve regeling voor de veroordeling in de proceskosten van artikel 241 Rv Pro (artikel 6:96 lid 3 BW Pro).
Kosten gelegenheid betaling
2.36.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] voeren aan dat van buitengerechtelijke incassokosten niets is gebleken. Bovendien kunnen de gevorderde incassokosten volgens hen de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan: het is geen redelijk bedrag aan kosten (voor één handeling) en de kosten zijn niet in redelijkheid gemaakt. De gestelde werkzaamheden zijn verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, aldus [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] .
2.37.
De vordering van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] heeft geen betrekking op een van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is, maar op een onrechtmatige daad. Of de buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, wordt daarom getoetst aan het Rapport Voorwerk II.
2.38.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden afgewezen. [eisers sub 1] en [eisers sub 2] stellen dat zij [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] na betekening van de dagvaarding ten minste veertien dagen de tijd hebben gegeven om over te gaan tot betaling van het gevorderde bedrag. Dit zijn geen kosten voor werkzaamheden die als buitengerechtelijke werkzaamheden kunnen worden aangemerkt. De kosten waarvan [eisers sub 1] en [eisers sub 2] vergoeding vorderen, moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Proceskosten
2.39.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] zijn in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] worden begroot op:
  • dagvaarding € 137,47
  • kosten beslag € 443,24
  • griffierecht € 1.325,00
  • kosten C. Vervaet-van Horssen € 1.579,50
  • salaris advocaat € 9.229,50 (4,5 x € 2.051,00, tarief V)
  • nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 12.862,71
2.40.
[eisers sub 1] en [eisers sub 2] hebben wettelijke rente gevorderd over het griffierecht voor het conservatoir beslag van € 320,00 en de kosten van het beslag van € 443,24. De gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing opgenomen.
In reconventie
2.41.
De rechtbank wijst de vorderingen in reconventie af, onder verwijzing naar haar tussenvonnis van 16 april 2025.
Proceskosten
2.42.
[gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] zijn in reconventie in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] worden begroot op:
  • salaris advocaat € 1.306,00 (2 x € 653,00, tarief II)
  • nakosten € 148,00
Totaal € 1.454,00
3. De beslissing
De rechtbank
In conventie
3.1.
veroordeelt [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] hoofdelijk om aan [eisers sub 1] en [eisers sub 2] tegen behoorlijk bewijs van kwijting de schade aan hun woning te vergoeden voor een bedrag van € 143.626,24, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 over een bedrag van € 61.533,28;
3.2.
veroordeelt [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] hoofdelijk om aan [eisers sub 1] en [eisers sub 2] tegen behoorlijk bewijs van kwijting de schade in de vorm van deskundigenkosten te vergoeden voor een bedrag van € 2.673,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
3.3.
veroordeelt [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] in de proceskosten van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] van € 12.862,71, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;
3.4.
veroordeelt [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag aan proceskosten van € 763,24 vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald;
3.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In (voorwaardelijke) reconventie
3.7.
wijst de vorderingen af;
3.8.
veroordeelt [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] in de proceskosten van [eisers sub 1] en [eisers sub 2] van € 1.454,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071.