ECLI:NL:RBDHA:2026:9793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.7433
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens overdracht aan Duitsland

Eiser diende op 5 september 2025 een asielaanvraag in, die de minister op 4 februari 2026 niet in behandeling nam omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder zijn psychische gezondheidssituatie en bijzondere omstandigheden die een uitzondering op de Dublinverordening zouden rechtvaardigen.

De rechtbank oordeelt dat eiser ondanks zijn overdracht aan Duitsland nog steeds procesbelang heeft, omdat hij niet vrijwillig is vertrokken en terugleiding naar Nederland mogelijk blijft. De minister had niet hoeven afzien van overdracht op grond van de medische situatie van eiser, omdat geen objectieve medische gegevens een reëel risico op verslechtering aantonen.

Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een onverplichte in behandeling neming van de asielaanvraag op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro rechtvaardigen. De minister mocht ervan uitgaan dat de Duitse gezondheidszorg adequaat is en eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij geen hulp kan krijgen. Tot slot was het niet nodig aanvullende garanties van Duitsland te vragen, aangezien eiser eerder tien jaar in Duitsland kon verblijven en zorg ontving.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7433

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.G.M. van Zutphen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser ondanks zijn vertrek naar Duitsland nog steeds procesbelang heeft en dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat hij niet op grond van de medische situatie van eiser af had hoeven zien van een overdracht aan Duitsland. Verder hoefde de minister de asielaanvraag niet op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die van onevenredige hardheid getuigen. Tot slot hoefde de minister geen aanvullende garanties te vragen, omdat eiser zijn gestelde medische problematiek niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 september 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 4 februari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.7434, op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft van tevoren laten weten dat hij niet op de zitting zou verschijnen.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog procesbelang?
3. De minister heeft de rechtbank met de brief van 9 maart 2026 geïnformeerd dat eiser op 6 maart 2026 is overgedragen aan Duitsland en de rechtbank verzocht om te beoordelen of nog procesbelang bestaat bij het door eiser ingediende beroep. De gemachtigde van eiser heeft op 17 maart 2026 laten weten dat eiser vindt dat hij nog procesbelang heeft en zijn beroep wil handhaven.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser nog procesbelang heeft. Dat eiser inmiddels aan Duitsland is overgedragen en niet meer in Nederland verblijft maakt niet dat hij geen procesbelang (meer) heeft. Daarvoor is van belang dat eiser – anders dan de minister heeft gesteld – niet ‘vrijwillig’ (in de zin van: uit eigen beweging) naar Duitsland is vertrokken, maar slechts uitvoering heeft gegeven aan het bestreden (overdrachts)besluit door zich niet te verzetten bij zijn overdracht naar Duitsland. Er zijn geen concrete aanknopingspunten waaruit volgt dat eiser geen prijs (meer) stelt op bescherming in Nederland of dat hij op een andere manier geen actueel en reëel belang meer heeft. Hierbij komt dat de overdracht van Duitsland geen onomkeerbare gevolgen heeft. Indien blijkt dat Nederland toch verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, hij kan worden teruggeleid. Daarom beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser inhoudelijk.
Totstandkoming van het besluit4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek geaccepteerd.
Had de minister op grond van de psychische situatie van eiser moeten afzien van een overdracht aan Duitsland?
5. Eiser betoogt dat de minister op grond van zijn psychische situatie had moeten afzien van een overdracht aan Duitsland. [3] Eiser heeft een zeer zwakke gezondheid en een slechte mentale gesteldheid, en heeft in Duitsland suïcidale gedachten ontwikkeld. Hiervoor stond eiser onder behandeling van een psychiater en gebruikt hij in Nederland het medicijn vehlafascin, dat tevens zijn zeer hoge hartslag wegnam. Als hij dit medicijn niet gebruikt, kan eiser zijn slechte gedachten niet meer controleren en kan niet worden uitgesloten dat zijn zelfmoordgedachten weer de boventoon krijgen. Dat geldt ook nu eiser het vooruitzicht heeft dat hij niet in Nederland kan blijven en het feit dat hij bij terugkeer naar Duitsland weer lang naar voorzieningen (zoals zijn werk) moet reizen en daar veel voor moet betalen. Een terugkeer naar Duitsland kan daarom onomkeerbare gevolgen hebben voor eiser. [4]
5.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister had niet vanwege de medische en psychische situatie van eiser af moeten zien van de overdracht van eiser aan Duitsland. De minister moet van een overdracht afzien als een reëel risico bestaat dat de (bijzonder ernstige) gezondheidsproblemen van een vreemdeling aanzienlijk en onomkeerbaar verslechteren door de overdracht. [5] Hiervan is in het geval van eiser niet gebleken: hij heeft geen medische stukken overgelegd om dit te onderbouwen. Uit de overgelegde brief van de Gemeinschaftspraxis für Neurologie und Psychiatrie in Leipzig, volgt namelijk weliswaar dat eiser onder psychische behandeling stond, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er een reëel risico bestaat dat de gezondheidsproblemen van eiser verslechteren door de overdracht aan Duitsland. Het betoog van eiser is voor het overige niet onderbouwd.
Had de minister de asielaanvraag onverplicht in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?6. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag onverplicht in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat een overdracht vanwege individuele, bijzondere omstandigheden getuigt van onevenredige hardheid. Hij heeft eerder twee asielaanvragen gedaan in Duitsland, die zijn afgewezen. Als Iraniër kan eiser echter niet (gedwongen) worden uitgezet, omdat hij niet in het bezit is van reis- of identiteitsdocumenten en de Iraanse autoriteiten niet meewerken aan een gedwongen uitzetting. Bovendien loopt eiser bij terugkeer naar Iran gevaar. Eiser heeft daarom al tien jaar een zogenaamde ‘Duldung’ in Duitsland. [6] Eiser vindt het inhumaan dat hij nu zo’n periode in het ongewisse is gelaten en hij daardoor geen normaal bestaan heeft kunnen opbouwen. Het geeft eiser het gevoel dat hij een tweederangsburger is en wakkert discriminatie aan bij personen in zijn omgeving. Verder heeft eiser in Duitsland te maken met verschillende beperkingen. Hij heeft een beperkte toegang tot de arbeidsmarkt, mede omdat hij steeds toestemming moet vragen aan de Duitse autoriteiten. Daarnaast vindt eiser de zogenoemde Residenzpflicht waar hij aan moet voldoen ondragelijk. Eiser moet hierdoor verplicht een leefruimte huren en betalen in een gemeente die niet dicht bij zijn werk is en zich daar geregeld melden, waardoor hij lange afstanden moet reizen en hoge kosten heeft. Eiser heeft geprobeerd hieraan te voldoen, maar hij ging daaraan onderdoor. Daarbij komt dat de Oost-Duitse bevolking afwijzend tegenover asielzoekers staat. Als gevolg hiervan heeft eiser suïcidale gevoelens ontwikkeld, maar hij werd aan zijn lot overgelaten. Zelfs als een nieuwe asielaanvraag in Duitsland wordt behandeld, verandert dat zijn situatie niet. Mede doordat de begeleiding in Duitsland onvoldoende gericht is op de persoon, kon eiser de Duitse papierwereld en de controles niet aan. Daarbij komt dat eiser een aandoening in het autistisch spectrum heeft, waardoor hij geen aansluiting kan vinden in Duitsland. De minister heeft, gelet hierop, geen zorgvuldige en individuele beoordeling gemaakt.
6.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag van eiser met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich te trekken. Dit omdat in het geval van eiser er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt. De minister mocht de problemen van eiser hiertoe onvoldoende bijzonder vinden. Het is vervelend dat eiser de afgelopen tien jaar in Duitsland problemen heeft ondervonden die zijn leven daar bemoeilijkten. De minister wijst er echter terecht op dat eiser in Duitsland bij deze problemen om hulp kan vragen. Eiser kan in Duitsland bovendien hulp vragen voor de (mentale) problemen die hij ervaart door zijn gedoogsituatie. De minister mag er door het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat de gezondheidszorg in Duitsland gelijkwaardig is aan die in Nederland. Eiser heeft dat verder niet gemotiveerd betwist. Verder blijkt uit het dossier dat eiser tijdens zijn verblijf in Duitsland feitelijk toegang heeft gehad tot geestelijke gezondheidszorg. Hij heeft niet onderbouwd dat hij heeft geklaagd of hulp heeft gezocht bij de Duitse autoriteiten en/of andere Duitse organisaties, en ook niet onderbouwd dat klagen of hulp zoeken geen zin heeft. Daarom valt niet in te zien waarom de minister verantwoordelijkheid zou moeten nemen voor de asielaanvraag van eiser en toepassing had moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Had de minister aanvullende garanties moeten vragen?7. Eiser betoogt dat de minister in zijn geval om aanvullende garanties van de Duitse autoriteiten had moeten vragen, omdat hij zich in een situatie van bijzondere kwetsbaarheid bevindt. Eiser verwijst in dit verband naar zijn medische en psychische gesteldheid en doet in dit kader een beroep op het arrest Tarakhel. [7]
7.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij geen aanvullende garanties van de Duitse autoriteiten had hoeven vragen. Eiser heeft verklaard dat hij in Duitsland door een psychiater is behandeld en een maand opgenomen is geweest in een ziekenhuis. Eisers verblijf in Duitsland wordt gedoogd en hij heeft daar eerder tien jaar kunnen wonen en werken. Het is daarom niet aannemelijk dat eiser nu bij terugkeer naar Duitsland van deze zorg, opvang en werk verstoken zal blijven en (dus) aanvullende garanties van de Duitse autoriteiten nodig heeft. Dat eiser in een e-mail van 16 maart 2026 stelt dat hij geen toegang heeft tot basisvoorzieningen, is door hem niet onderbouwd. Daarom geeft deze e-mail geen reden geeft voor een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Eiser doet een beroep op HvJEU 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. e.a. tegen Slovenië).
4.Eiser wijst op ABRvS 23 januari 2020, /1. Hier het ECLI-nr noemen
5.ABRvS 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1802 en ABRvS 12 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2408.
6.Een ‘Duldung’ is in het Duitse vreemdelingenrecht een uitstel van uitzetting, waardoor het verblijf in Duitsland wordt gedoogd.
7.EHRM 4 november 2014, Tarakhel, nr. 29217/12.