De minister van Asiel en Migratie legde op 31 maart 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 17 april 2026 via telehoor.
De minister baseerde de bewaring op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet meewerken aan vaststelling van identiteit en nationaliteit, en het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en middelen van bestaan. De rechtbank stelde vast dat eiser deze feiten niet betwistte, behalve dat de minister de zware grond 3i (weigering tot terugkeer) op de zitting had laten vallen.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel terecht was opgelegd omdat nog niet op de asielaanvraag was beslist en onvoldoende zekerheid bestond over de identiteit en nationaliteit van eiser. Ook was het risico op onttrekking aan toezicht voldoende gemotiveerd. De minister had bovendien aannemelijk gemaakt dat een lichter middel niet doeltreffend was. Medische omstandigheden en persoonlijke situatie van eiser boden geen aanleiding tot een andere maatregel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.