Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9723

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL25.28528
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:12 AwbArtikel 46 Richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag ongegrond verklaard

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het verzet van opposant tegen de uitspraak van 6 november 2025 behandeld, waarin het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat opposant niet aan het vereiste had voldaan dat hij het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke had gesteld, omdat de ingebrekestelling van 29 mei 2024 prematuur was ingediend.

De rechtbank bevestigde dat de eerdere uitspraak van 17 december 2024 van de rechtbank Zwolle, waarin werd geoordeeld dat de ingebrekestelling prematuur was, in rechte vaststaat. Het verzet kon daarom niet slagen. Het door opposant aangehaalde arrest FMS van het HvJEU uit 2020 werd door de rechtbank niet relevant geacht voor deze zaak, omdat het ging om een terugkeerbesluit en niet om een niet tijdig beslissen op een asielaanvraag.

De rechtbank benadrukte dat opposant een nieuwe ingebrekestelling kan indienen indien het besluit op zijn asielaanvraag uitblijft. Ook werd het beroep op artikel 46 van Pro de Procedurerichtlijn verworpen, omdat er een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is. Het verzet werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.28528 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant], opposant, [1]
v-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Khalaf).

Procesverloop

In de uitspraak van 6 november 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. [2]
Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb. [3]

Beoordeling door de rechtbank

1. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt de mogelijkheid tot vereenvoudigde afdoening als het eindoordeel in de zaak buiten redelijke twijfel staat. In verzet beoordeelt de rechtbank alleen of er redelijke twijfel mogelijk was over het oordeel in de aangevallen uitspraak. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van 6 november 2025 het beroep van opposant tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ‘kennelijk’ niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant bij het instellen van het beroep niet aan het wettelijke vereiste voldeed dat hij beroep kan instellen nadat hij het bestuursorgaan rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. [4] Van de schriftelijke ingebrekestelling van 29 mei 2024 was namelijk in een eerdere uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 17 december 2024 geoordeeld dat deze prematuur was ingediend, omdat de beslistermijn op dat moment nog niet was verstreken. [5]
3. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 november 2025 terecht vastgesteld dat de uitspraak van 17 december 2024 in rechte vaststaat, en daarmee ook het daarin gegeven oordeel dat de ingebrekestelling van 29 mei 2024 prematuur was. Het [arrest] , [6] waarop opposant zich in verzet beroept, heeft geen invloed op de in rechte vaststaande uitspraak van 17 december 2024.
4. Opposant heeft in verzet verder verwezen op het arrest FMS van het HvJEU van 14 mei 2020, punt 199, en stelt zich op het standpunt dat het nationale recht moet wijken voor het Unierecht wanneer een definitieve uitspraak blijvende gevolgen heeft die in strijd zijn met het Unierecht. [7] In het arrest FMS gaat het om een genomen terugkeerbesluit. De rechtbank ziet in deze verzetsgrond geen onderbouwing dat dit arrest ook gevolgen heeft voor beroepen tegen het niet tijdig beslissen op asielaanvragen. De uitspraak van 17 december 2024 en het oordeel daarin dat de ingebrekestelling van 29 mei 2024 prematuur was, heeft geen blijvende gevolgen in de zin van het arrest. Opposant kan gewoon weer een nieuwe schriftelijke ingebrekestelling indienen als hij het besluit op zijn asielaanvraag niet kan of wil afwachten.
5. De rechtbank ziet in het verzet, gelet op het voorgaande, geen reden om aan te nemen dat de rechtbank in haar uitspraak van 6 november 2025 niet ervan heeft mogen uitgaan dat in rechte vaststaat dat de ingebrekestelling van 17 december 2024 prematuur was. De rechtbank ziet in het beroep van opposant op artikel 46 van Pro de Procedurerichtlijn ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. [8] Opposant kan immers gebruik maken van een daadwerkelijk rechtsmiddel, als bedoeld in deze bepaling, tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag binnen veertien dagen nadat hij alsnog een geldige ingebrekestelling heeft uitgebracht.
6. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) 12 december 2024, C-662/23, ECLI:EU:C:2024:1028.
7.ECLI:EU:C:2020:367.
8.Richtlijn 2013/32/EU.