Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9670

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
09.223743.25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14e SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mishandeling, belediging politie en vernieling met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor mishandeling van een politiebrigadier, belediging van drie politieambtenaren en vernieling van een luchtplaats en observatiecel van de politie. De bedreiging met een vuurwapen is niet wettig en overtuigend bewezen verklaard, waardoor verdachte daarvan is vrijgesproken.

De mishandeling betrof het schoppen tegen de enkel van een politieambtenaar tijdens diens rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De beledigingen bestonden uit het uiten van grove scheldwoorden en het bespugen van een politieambtenaar. De vernielingen betroffen het onbruikbaar maken van politiegoederen door verdachte.

De rechtbank nam kennis van een psychiatrisch rapport dat stelde dat verdachte een psychische stoornis heeft en adviseerde verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank volgde dit advies en hield hier rekening mee bij de strafoplegging. De verdachte werd veroordeeld tot 130 dagen gevangenisstraf, waarvan 26 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en begeleiding.

De rechtbank kende deels schadevergoeding toe aan de benadeelden: €350 aan immateriële schade aan de mishandelde politiebrigadier en €1.717,54 aan materiële schade aan de politie-eenheid. De vordering van de derde benadeelde werd afgewezen wegens vrijspraak van het feit waarop de vordering betrekking had.

De straf en voorwaarden zijn gericht op het terugdringen van recidive en het bevorderen van behandeling van de verdachte, met dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en opheffing van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 130 dagen gevangenisstraf, waarvan 26 dagen voorwaardelijk, voor mishandeling, belediging en vernieling; vrijspraak van bedreiging met vuurwapen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/223743-25
Datum uitspraak: 26 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
huidig verblijfadres: [verblijfadres] (FPA Fivoor).

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 november 2025 (pro forma) en 12 maart 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof naar voren is gebracht.
[benadeelde 1] en de politie (Eenheid Den Haag) hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft van die vorderingen kennisgenomen. [benadeelde 2] heeft zich eveneens als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en schadevergoeding gevorderd. De rechtbank heeft van die vordering en de nadere toelichting ter terechtzitting door haar advocaat, mr. L. da Silva, kennisgenomen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 21 juli 2025 te Zoetermeer, [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Den Haag) heeft mishandeld, door tegen de enkel, althans het been van die [benadeelde 1] te schoppen/trappen en/of kracht uit te oefenen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening;
2
hij op of omstreeks 7 augustus 2025 te Zoetermeer opzettelijk en wederrechtelijk de luchtplaats en/of de ruit van de ingang van de luchtplaats van politiebureau Zoetermeer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Nationale Politie en/of Politie Haaglanden, toebehoordeheeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
3
hij op of omstreeks 13 augustus 2025 te Zoetermeer opzettelijk en wederrechtelijk een observatiecel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Nationale Politie en/of Politie Haaglanden, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt
4
hij op of omstreeks 12 augustus 2025 te Zoetermeer [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op (het gezicht van) die Kramer te richten;
5
hij op of omstreeks 21 juli 2025 te Zoetermeer opzettelijk een ambtenaar, te weten [hoofdagent 1] (hoofdagent bij Eenheid Den Haag) en/of [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Den Haag) en/of [hoofdagent 2] (hoofdagent bij Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheidmondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: Kankerlijers" en/of "Kankerbitch" en/of "Kankerwijf", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, en/of door op het been, althans het lichaam van die [hoofdagent 2] te spugen;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 5 tenlastegelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit.
3.3.
Vrijspraak feit 4
De rechtbank is met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat de verdachte op 12 augustus 2025 op het fietspad op de Broekwegzijde te Zoetermeer liep, waar de aangeefster langs hem is gefietst. De verdachte heeft zichzelf herkend op camerabeelden, waarop te zien is dat de verdachte zijn arm uitstrekte toen de aangeefster hem passeerde. Volgens de aangeefster heeft de verdachte op dat moment een vuurwapen op haar gericht. De verdachte heeft stellig ontkend dat hij dit heeft gedaan en dat hij een vuurwapen bij zich had. Wel acht hij het mogelijk dat hij op dat moment een vape in zijn hand heeft gehad.
Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat de verdachte, enkele seconden nadat hij zijn arm uitstrekte richting de aangeefster, iets wegstopte in zijn nektasje. Dit maakt het aannemelijk dat de verdachte een voorwerp in zijn hand heeft gehad toen hij zijn arm uitstrekte naar de aangeefster. Op basis van het dossier – met inbegrip van (de beschrijving van) de camerabeelden – en het verhandelde ter terechtzitting, kan echter niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat dit voorwerp een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp betrof. In de woningen van de verdachte en zijn moeder is overigens ook geen vuurwapen aangetroffen. Al met al ontbreekt toereikend bewijs dat de aangifte ondersteunt, waardoor niet aan het bewijsminimum wordt voldaan.
3.4.
Opgave van bewijsmiddelen ten aanzien van feiten 2 en 3
De rechtbank zal voor de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025246162, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 151).
De onderstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen – worden gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens de inhoud betrekking heeft:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 12 maart 2026;
2. Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, op 21 augustus 2025 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier;
3. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens Politie Haaglanden, opgemaakt op 7 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 64);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 70).
3.5.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feiten 1 en 5
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025246162, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 151).
De onderstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen – worden gebruikt
voor het bewijs van datgene waarop het blijkens de inhoud betrekking heeft:
1. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Den Haag), opgemaakt op 22 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 33-34):
Pleegdatum: 21 juli 2025
De aangeefster verklaarde:
Ik doe aangifte van mishandeling en belediging. Ik was ten tijde van de mishandeling en belediging in de rechtmatige uitoefening van mijn bediening en in uniform gekleed. Ik was belast met de vrijheidsbeneming ten behoeve van psychische beoordeling van [verdachte] , geboren [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] en bevond mij in de woning aan de [adres 2] . Aldaar ging [verdachte] , in de badkamer, hevig in verzet tegen deze vrijheidsbeneming. Ik zag dat [verdachte] zich met kracht bleef verzetten en ik besloot daarop om de benen van [verdachte] te fixeren. Ik ging met mijn volledige gewicht op de benen van [verdachte] zitten. Ik hoorde [verdachte] daarop zeggen "ga van mijn benen af kankerbitch" en "ga van mij af kankerwijf". Ik zag dat de moeder, zus en broer van [verdachte] achter mij op de overloop van de verdieping stonden. Ik voelde mij door de belediging in mijn goede eer en naam aangerand. Ik voelde dat [verdachte] zijn benen met kracht omhoog stootte, waardoor ik van zijn benen raakte. Ik voelde dat mijn rechterbeen klem zat en ik zag dat mijn enkel geplaatst was tussen de muur en de voet van [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] deze voet naar achteren bewoog en met kracht op mijn enkel terecht liet komen. Ik voelde hierdoor een hevige pijn in mijn enkel. Ik zei tegen [verdachte] dat hij daarmee moest ophouden en dat hij mij pijn deed. Ik voelde dat [verdachte] doorging en met nog meer kracht tegen mijn enkel schopte. Ik heb hierdoor pijn en letsel. Later zag ik dat ik een blauwe plek had op de plek waar [verdachte] mij schopte.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 9-10):
Ik, verbalisant [verbalisant] , verklaar het volgende:
Op 21 juli 2025, werd er door het operationeel centrum van Politie Den Haag, een melding uitgegeven op de [adres 2] . Aldaar had melder gebeld voor haar zoon die in een psychose zou zitten. De zoon zou genaamd zijn [verdachte] geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] . Ik zag dat [benadeelde 1] op [verdachte] zijn benen ging zitten. Ik voelde dat [verdachte] zich bleef aanspannen en hoorde dat hij meerdere keren kankerhoer richting [benadeelde 1] schreeuwde. Ik zag dat [verdachte] meerdere keren collega [benadeelde 1] met kracht tegen haar voet aandrukte. Ik hoorde dat collega [benadeelde 1] aangaf dat hij hiermee moest stoppen omdat haar voet er tussen zat. Ik zag dat [verdachte] meerdere keren trapte tegen collega [benadeelde 1] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 24-25):
Ik, verbalisant [hoofdagent 1] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:
Op 21 juli 2025 hoorde ik via het bureau portokanaal dat er collega's bezig waren met een melding op de [adres 2] . Ik zag dat een collega, politieambtenaar [hoofdagent 2] , met zijn handen het hoofd van [verdachte] vastpakte en deze draaide zodat hij niet meer in de richting van de collega's en het ambulancepersoneel kon spugen. Vervolgens zag ik dat [verdachte] in de richting van politieambtenaar [hoofdagent 2] spuugde. Terwijl hij dit deed, hoorde ik hem met een luide stem meermaals "Kankerlijers!" roepen. Ik zag dat er meerdere buurtbewoners om de ambulance heen stonden. Ik zag dat [verdachte] tijdens deze belediging mijn richting in keek. Ik zag dat [verdachte] steeds rechtop probeerde te zitten. Hierop drukte ik hem aan zijn hoofd terug op de brancard. Terwijl ik dit deed, zag ik dat hij mijn richting in keek en "Kankerlijer!" riep. Tijdens deze belediging waren zowel mijn collega als twee ambulancemedewerkers aanwezig. Ik voelde mij door de beledigingen in mijn naam en goede eer aangerand.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 20-22):
Ik, verbalisant [hoofdagent 2] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Den Haag, verklaar het volgende:
Op 21 juli 2025 kwam ik ter plaatse op de [adres 2] . Ik zag dat [verdachte] vervolgens in de richting van de collega's en van de GGD personeel spuugde. Hierop pakte ik verbalisant [hoofdagent 2] met beide handen het hoofd van [verdachte] en draaide deze mijn kant op waardoor het hem onmogelijk werd gemaakt om iemand in het gezicht te spugen. Ik zag en voelde dat [verdachte] hierop nogmaals spuugde waardoor het op mijn linker been kwam. Ik keek naar mijn linkerbeen en ik zag hier speeksel zitten. Ik verbalisant [hoofdagent 2] voel mij beledigd omdat ik bespuugd ben.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 21 juli 2025 te Zoetermeer, [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Den Haag) heeft mishandeld, door tegen de enkel van die [benadeelde 1] te schoppen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening;
2
hij op 7 augustus 2025 te Zoetermeer opzettelijk en wederrechtelijk de luchtplaats en de ruit van de ingang van de luchtplaats van politiebureau Zoetermeer, die aan
deNationale Politie,
toebehoorden,heeft vernield en onbruikbaar gemaakt;
3
hij op 13 augustus 2025 te Zoetermeer opzettelijk en wederrechtelijk een observatiecel, die aan
deNationale Politie toebehoorde, heeft onbruikbaar gemaakt;
5
hij op 21 juli 2025 te Zoetermeer opzettelijk
ambtenaren, te weten [hoofdagent 1] (hoofdagent bij Eenheid Den Haag) en [benadeelde 1] (brigadier bij Eenheid Den Haag) en [hoofdagent 2] (hoofdagent bij Eenheid Den Haag), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid mondeling en/of door feitelijkheden heeft beledigd door hun de woorden toe te voegen: Kankerlijers" en "Kankerbitch" en "Kankerwijf", en door op het been van die [hoofdagent 2] te spugen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte ten tijde van het begaan van de feiten telkens in een psychose verkeerde. De verdachte dient dan ook volledig ontoerekeningsvatbaar te worden verklaard.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet volledig ontoerekeningsvatbaar is.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage over de verdachte van 25 september 2025, opgemaakt door dr. [naam 2] , psychiater. Daaruit blijkt dat de verdachte een psychische stoornis heeft in de vorm van recidiverende psychotische en randpsychotische decompensaties. Deze verschijnselen zijn (mede) veroorzaakt door habitueel cannabisgebruik en doordat hij voorafgaand aan de hem tenlastegelegde feiten zijn antipsychotische medicatie niet heeft willen voortzetten. Ook kan een onderliggende schizofreniespectrumstoornis niet worden uitgesloten. De rapporteur adviseert het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Nu deze conclusie van de rapporteur gedragen wordt door een uitgebreide en deugdelijke onderbouwing, neemt de rechtbank die conclusie over en maakt die tot de hare. Uit het dossier en hetgeen op terechtzitting is besproken zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven om af te wijken van de conclusie van de rapporteur.
Bij het bepalen van de na te noemen straf zal rekening worden gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De verminderde toerekeningsvatbaarheid brengt met zich dat de keuzevrijheid van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde niet volledig was aangetast. Het verweer dat zou moeten leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging wordt dan ook verworpen.
Ook anderszins zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over eventuele strafoplegging.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van drie politieambtenaren en mishandeling van één van hen. De politieambtenaren waren ter plaatse naar aanleiding van een melding van zijn moeder dat hij in een psychose zat. De verdachte heeft zich hevig verzet en daarbij heeft hij tegen de enkel van verbalisant [benadeelde 1] geschopt. Zij heeft als gevolg daarvan fors last gehad van haar enkel. De verdachte heeft met zijn handelen dan ook inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de bij de verdachte aanwezige stoornis, acht zij het kwalijk dat hij met zijn handelen bovendien inbreuk heeft gemaakt op het gezag van deze politieambtenaren. Politieambtenaren dienen met respect te worden bejegend en zij moeten hun werkzaamheden kunnen uitvoeren zonder dat ze daarbij worden beledigd en mishandeld.
Verder heeft de verdachte zich meerdere keren schuldig gemaakt aan het onbruikbaar maken van een cel en een luchtplaats van de politie, door daar op de grond zijn behoefte te doen. Door zijn handelen heeft de verdachte een gebrek aan respect getoond voor andermans eigendommen en heeft hij voor schade en overlast gezorgd.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 maart 2026, waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder bedreiging en wederspannigheid.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reeds genoemde Pro Justitia-rapportage over de verdachte van dr. [naam 2] , psychiater, van 25 september 2025. Uit die rapportage volgt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Daarbij dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat de behandeling door de GGZ Rivierduinen, die de verdachte onderging voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten, tot dusver niet heeft geleid tot een gunstige respons. Gelet daarop wordt geadviseerd om het recidiverisico te beperken door aanvankelijk klinische psychiatrische behandeling van de verdachte in een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) of Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK), met ambulante nazorg door een forensische polikliniek in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel onder toezicht van de reclassering.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 10 november 2025, waaruit eveneens volgt dat sprake is hoog recidiverisico. De reclassering constateerde dat er meerdere risicofactoren aanwezig zijn bij de verdachte, waarvan de voornaamste het psychosociaal functioneren en het middelengebruik van de verdachte zijn. Omdat de verdachte beperkt inzicht heeft in zijn eigen gedrag en weinig openheid van zaken geeft over zijn middelengebruik, schat de reclassering in dat ambulante behandeling ontoereikend is om gedragsverandering teweeg te brengen. Pas als de verdachte uit zijn huidige omgeving komt, kan langdurige abstinentie worden bewerkstelligd. De reclassering sluit zich daarom aan bij het advies van de psychiater om de verdachte langdurig klinisch te laten opnemen. De reclassering acht het verder van belang dat de verdachte, na de klinische opname, een traject doorloopt met ambulante behandeling, begeleid wonen, middelencontrole en een meldplicht.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, gelet op de vrijspraak van de tenlastegelegde bedreiging met een vuurwapen. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 130 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.
De rechtbank zal een deel van die straf, te weten 26 dagen, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De voorwaarde die ziet op de opname in de zorginstelling wordt door de rechtbank opgelegd met dien verstande dat de tijd die de verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in deze instelling heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de duur die deze opname volgens de voorwaarde maximaal kan duren.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, te weten mishandeling.
Nu sprake is van een hoog recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank ambtshalve bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal bevelen dat het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven, nu het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf gelijk is aan de duur van het voorarrest.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

[benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 550,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Politie Den Haag heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1717,54, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[benadeelde 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.500,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:
  • volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] ;
  • volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij politie-eenheid Den Haag;
  • gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 1.600,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat:
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] dient te worden gematigd tot € 250,-;
  • de vordering van de benadeelde partij politie-eenheid Den Haag kan worden toegewezen als de schade niet reeds is vergoed door de verzekering;
  • de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] primair niet-ontvankelijk dient te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair zou het gevorderde materiële voorschot van € 2.400,- niet-ontvankelijk moeten worden verklaard en zou de immateriële schade moeten worden gematigd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1)
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) – voor zover in deze zaak relevant – recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde feit lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een blauwe plek op haar enkel. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 350,- en de vordering voor het overige afwijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 21 juli 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 350,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1] .
De vordering van de benadeelde partij Politie-eenheid Den Haag (feit 2)
De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.717,54, bestaande uit aan materiële schade
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 4)
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien
de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 57, 63, 266, 267, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
mishandeling;
ten aanzien van feiten 2 en 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of onbruikbaar maken, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 5:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
130 (HONDERDDERTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
26 (ZESENTWINTIG) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
Meldplicht
- zich meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Johanna Westerdijkplein 40 te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen en zich blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
Opname in een zorginstelling
- zich laat opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die
verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als zijn behandelaars in overleg met de reclassering nodig achten. De tijd die de veroordeelde sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis reeds in de betreffende zorginstelling heeft doorgebracht, wordt daarop in mindering gebracht. De veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
Ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht en vindt plaats op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door de zorgverlener worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien daartoe aanleiding is, zoals bij een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik of in geval van ernstige zorgen over het psychiatrische toestandsbeeld, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert zal, nadat dit door de rechter is bevolen, de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt 7 weken of zoveel korter als de reclassering dat nodig acht;
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
- gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, en zich houdt aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld. Het verblijf start na de langdurig klinische opname en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht;
Meewerken aan middelencontrole
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek of ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
dadelijke uitvoerbaarheid
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 350,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 350,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [benadeelde 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 3 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij Politie Den Haag
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.717,54 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan Politie Den Haag;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. J.J. Balfoort, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 maart 2026.