Eiser, een Iraakse Jezidi, diende op 25 april 2023 een asielaanvraag in die door de minister op 29 augustus 2025 werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 25 maart 2026 en oordeelt dat de afwijzing niet in stand kan blijven.
De rechtbank stelt vast dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de tentenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR) sinds medio 2024 als normale woon- of verblijfplaats kunnen worden aangemerkt. Tevens is onvoldoende rekening gehouden met de slechte leefomstandigheden in het vluchtelingenkamp Sharya, waar eiser verbleef, en de risico’s die terugkeer met zich meebrengt, waaronder discriminatie en geweld tegen Jezidi’s.
De minister heeft nagelaten adequaat onderzoek te doen naar de feitelijke situatie in de kampen en de gevolgen daarvan voor eiser, ondanks het thematisch ambtsbericht dat slechte omstandigheden en terugtrekking van hulporganisaties bevestigt. Ook de veronderstelde adequate opvang door ouders in het kamp is onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.868,- aan eiser.