Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9539

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
AWB - 23 _ 7974
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BPMArt. 9 Wet BPMArt. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen naheffingsaanslag BPM wegens onvoldoende schadeaantoon en onjuiste waarderingsmethode

Eiser betaalde BPM over een Mercedes-Benz G-klasse en kreeg een naheffingsaanslag opgelegd na een taxatie door de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ), die een hogere handelswaarde en lagere schade vaststelde dan het taxatierapport van eiser.

Eiser betwistte de naheffingsaanslag en voerde aan dat de schadeposten uit het taxatierapport in mindering moesten worden gebracht op de handelsinkoopwaarde. De rechtbank oordeelde dat eiser de schade niet aannemelijk had gemaakt, mede vanwege onduidelijke foto’s en het grote verschil tussen de betaalde prijs en de door eiser opgevoerde waarde na schade.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de door eiser gehanteerde herleidingsmethode niet is toegestaan op grond van artikel 10 Wet Pro BPM en in strijd is met de wettelijke regeling.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar kende een immateriële schadevergoeding van € 1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van bijna drie jaar. Tevens werden proceskosten van € 467 aan eiser toegekend.

De uitspraak werd gedaan door rechter J.J. Arts op 9 april 2026 en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/7974

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden, de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026.
Gemachtigde en eiser zijn, met bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft op 13 december 2022 op aangifte een bedrag van € 3.052 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van de Mercedes-Benz G-klasse met [kenteken] (auto). De datum van eerste toelating van de auto is 16 november 2016. In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 261 gr/km op basis van WLTP.
2. Eiser heeft de in de aangifte vermelde handelsinkoopwaarde van € 7.500 gebaseerd op een op opgemaakt taxatierapport van [taxateur] (het taxatierapport). Hierbij is uitgegaan van een handelsinkoopwaarde vóór schade van € 36.585. Dit bedrag is verminderd met een bedrag van € 29.085, in verband met schade die volgens het taxatierapport € 40.421 bedraagt (inclusief btw). Blijkens de inkoopfactuur heeft eiser de auto gekocht voor € 48.000.
3. De dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft de auto op 20 december 2022 geschouwd. Hierbij is de auto door een deskundige taxateur van DRZ uitvoerig onderzocht. De handelswaarde is op basis van Koerslijst Autotelex Pro bepaald op € 37.442 en de schade is vastgesteld op € 1.004, waarvan 72% of wel € 723 in mindering is gebracht, zodat de handelsinkoopwaarde na schade € 36.719 bedraagt.
4. Verweerder heeft naar aanleiding van de waardebepalingen door DRZ een naheffingsaanslag opgelegd. De nageheven belasting bedraagt € 10.822 (€ 13.874. -/- € 3.052 (=de op aangifte betaalde Bpm )).
5. Nadat eiser bezwaar heeft gemaakt, heeft er op 11 december 2023 een (telefonisch) hoorgesprek plaatsgevonden, waarvan een verslag is opgesteld.
6. Bij uitspraak op bezwaar is het bezwaar ongegrond verklaard.
Geschil
7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.
Meer in het bijzonder is in geschil of de schadeposten in het taxatierapport terecht zijn opgevoerd en of de herleidingsmethode kan worden toegepast.
8. Eiser heeft aangevoerd dat de schadeposten en de overig verminderingen zoals die zijn vermeld in het taxatierapport in mindering dienen te worden gebracht op de handelsinkoopwaarde van de auto.
9. Verweerder heeft aangevoerd dat nu er maar lichte schade is gelet op het rapport en de gemaakte foto’s van DRZ, eiser de schade aan de hand van het taxatierapport niet aannemelijk heeft gemaakt.
Beoordeling van het geschil
10. De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast op eiser rust ten aanzien van een waardevermindering door schade. Eiser heeft de schade zoals vermeld in het rapport niet aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de zwart wit foto’s in het taxatierapport erg onduidelijk zijn, zodat van aanvullende schade niet is gebleken. Ook is niet aannemelijk dat de auto na aftrek van schade slechts een handelsinkoopwaarde heeft van € 7.500 terwijl eiser € 48.000 heeft betaald voor de auto.
Herleidingsmethode
11. Artikel 10 Wet Pro bpm bepaalt dat op grond van artikel 9 Wet Pro bpm op de
verschuldigde belasting een vermindering in aanmerking kan worden genomen.
Kort samengevat zijn er drie mogelijkheden om de vermindering van de
verschuldigde bpm te bepalen:
1. afschrijving met toepassing van de afschrijvingstabel;
2. afschrijving op basis van een koerslijst;
3. afschrijving op basis van een waarde bepaald middels een taxatierapport.
12. De rechtbank stelt voorop dat de door eiser voorgestane methode, namelijk herleiding (herleidingsmethode) op basis van de gegevens uit het kentekenregister, niet tot een mogelijkheid ter bepaling van (de vermindering van) de verschuldigde bpm in de zin van artikel 10 BPM Pro behoort. De door eiser voorgestane en gehanteerde methode is daarmee in strijd met de wettelijke regeling in de zin van artikel 10 BPM Pro en is niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro [1] .
13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
14. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een dergelijke vergoeding wordt toegekend indien een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar toekomt aan de bezwaarfase en anderhalf jaar aan de beroepsfase. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt.
15. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ontvangen op 1 juni 2023 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 30 oktober 2023. De rechtbank doet op 9 april 2026 uitspraak, waarmee 2 jaar en 11 maanden is verstreken. De redelijke termijn is derhalve overschreden met 11 maanden. Eiser heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 (2 maal € 500). De termijnoverschrijding dient geheel aan de beroepsfase te worden toegerekend.
Proceskosten
16. De rechtbank veroordeelt de Staat in de door eiser gemaakte proceskosten in verband de toekenning van een immateriële schadevergoeding in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934, met wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Heel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, Hof Den Haag 16 maart 2023 ECLI:NL:GHDHA:2023:699