Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9510

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.10502
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 76 Vreemdelingenwet 2000Art. 69 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen twee weken beslissen op bezwaar tegen besluit van 14 augustus 2025

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie van 14 augustus 2025. De minister diende binnen negentien weken na afloop van de bezwaartermijn te beslissen, uiterlijk op 24 januari 2026. Dit is niet gebeurd, waarna eiser de minister op 29 januari 2026 in gebreke stelde en vervolgens beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, wordt hem opgedragen dit alsnog binnen twee weken na de uitspraak te doen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen. Op 16 maart 2026 vond een hoorzitting plaats waarin eiser zijn bezwaar mondeling toelichtte, wat de rechtbank meeneemt in de redelijke termijnstelling.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, inclusief het betaalde griffierecht van € 200,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister op binnen twee weken te beslissen op het bezwaar, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.10502

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op het bezwaar van 11 september 2025.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Zijn de beroepen ontvankelijk en gegrond?
2. Het bezwaarschrift is gericht tegen het besluit van 14 augustus 2025. De minister moet uiterlijk beslissen binnen negentien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaar is verstreken. [2] De laatste dag om een bezwaarschrift in te dienen was 12 september 2025. [3] De uiterlijke termijn om te beslissen op het bezwaar was 24 januari 2026. Eiser heeft de minister op 29 januari 2026 in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingediend tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
3. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
4. Omdat de minister nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. De minister moet dit in principe binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak doen. [4] In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank een andere termijn geven. [5] De minister heeft geen verweerschrift ingediend en heeft dan ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Uit de stukken blijkt wel dat op 16 maart 2026 een hoorzitting heeft plaatsgevonden, waarin eiser zijn bezwaarschrift mondeling heeft kunnen toelichten. Ook hierom acht de rechtbank een beslistermijn van twee weken passend
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
5. Eiser heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op bezwaar neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit moet nemen op het bezwaar. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
7. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank voor eisers gezamenlijk vast op € 453,50. [7]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op het bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15,000,-;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 76, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 69, eerste lid, van de Vw.
4.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb,
5.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
6.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
7.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.