Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9478

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.4392 en NL26.4393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000Artikel 31, zesde lid, onder c, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering identiteit en nationaliteit Eritrese asielzoeker

Eisers, waaronder een Eritrese asielzoeker en zijn minderjarige kinderen, hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun asielaanvraag van 21 januari 2026. Eiser 1 stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en heeft in eerdere procedures onvoldoende documenten kunnen overleggen ter onderbouwing hiervan. Verweerder achtte de identiteit en nationaliteit ongeloofwaardig en wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser 1 niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan om zijn nationaliteit en herkomst te onderbouwen. Eiser 1 heeft onder meer contact gezocht met de Eritrese ambassade en getuigenverklaringen overgelegd. Verweerder heeft onvoldoende concreet gemaakt welke mogelijkheden andere organisaties bieden om bewijs te verkrijgen.

De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk ondanks een te late indiening van beroepsgronden, gelet op de omstandigheden en inspanningen van eisers. Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan eisers toegekend. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het beroep is beslist.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering over de identiteit en nationaliteit van eiser 1.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.4392 en NL26.4393
uitspraak van de enkelvoudige en de voorzieningenrechter kamer in de zaak tussen
[eiser 1],[V-nummer 1], eiser 1/verzoeker (hierna: eiser 1),

Mede namens zijn minderjarige kinderen

[eiseres 1],[V-nummer 2], geboren op [geboortedatum 1] 2014, eiseres 1,
[eiseres 2],[V-nummer 3], geboren op [geboortedatum 2] 2018, eiseres 2,
[eiser 2], [V-nummer 4], geboren op [geboortedatum 3] 2020, eiser 2.
tezamen aangeduid als eisers,
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: V.J.C.M. Tielemans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers. Eisers hebben op 26 februari 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser 1, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Eerdere procedures
2. Eiser 1 stelt de Eritrese nationaliteit te hebben en is geboren op [geboortedatum 4] 1991. Eiser 1 heeft het grootste deel van zijn kinderleven in [land] gewoond, en ongeveer anderhalf jaar in Eritrea. Eiser 1 heeft op 25 september 2008 asiel aangevraagd. Op 12 oktober 2009 is deze aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de gestelde Eritrese nationaliteit en herkomst niet gevolgd. Met de uitspraak van 14 februari 2012 van de Afdeling is deze beslissing onherroepelijk geworden.
2.1.
Vervolgens heeft eiser 1 op 8 december 2020 opnieuw asiel aangevraagd. Deze
aanvraag is op 8 juli 2022 afgewezen als ongegrond. Volgens verweerder heeft eiser 1 zijn
gestelde Eritrese nationaliteit niet aannemelijk gemaakt. Om die reden is voor toetsing van
de door hem naar voren gebrachte asielmotieven geen plaats. Tegen dit besluit is eiser 1 in
beroep gegaan. Het beroep is op 14 maart 2023 door deze rechtbank ongegrond verklaard. In deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat eiser 1 geen enkel document heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn nationaliteit en niet heeft onderbouwd dat hij in bewijsnood en overmacht verkeert. Ook heeft verweerder van eiser 1 mogen verlangen dat hij zich meer had moeten inspannen om zijn nationaliteit, of die van zijn moeder, te onderbouwen. Zo had eiser 1 een schriftelijk verzoek kunnen indienen bij de Eritrese ambassade om informatie, mensen uit zijn verleden kunnen benaderen en informatie kunnen opzoeken over de school waar hij als minderjarig kind onderwijs heeft genoten. Eiser 1 had naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inspanning verricht door maar een aantal keer contact te zoeken met de Eritrese ambassade en verder geen stappen te nemen om zijn nationaliteit of die van zijn moeder vast te stellen.
Huidige aanvraag
3. Eisers hebben op 26 februari 2024 de huidige opvolgende aanvraag ingediend. Eiser 1 heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de Eritrese nationaliteit heeft. Om dit te onderbouwen heeft eiser 1 een aantal documenten overgelegd. Eiser 1 stelt verder dat hij homoseksueel is.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser 1;
de homoseksuele gerichtheid van eiser 1.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser 1 niet geloofwaardig zijn, omdat de verklaringen van eiser 1 geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [1] . Verder heeft verweerder de homoseksuele gerichtheid van eiser 1 niet beoordeeld, omdat het asielrelaas alleen betekenis heeft tegen de achtergrond van de nationaliteit en eiser heeft zijn nationaliteit en herkomst niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast vindt verweerder dat eiser 1 bij terugkeer naar Eritrea geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat vinden eisers in beroep?
6. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren daartoe het volgende aan. Allereerst is ten onrechte tegengeworpen dat eiser 1 in de eerdere procedures ook heeft aangevoerd dat hij zeer jong was toen hij Eritrea verliet. Dat eiser zeer jong was toen hij Eritrea verliet is namelijk aangevoerd om aan te tonen dat eiser 1 in bewijsnood verkeert. Daarnaast kan eiser 1 niet aan meer informatie komen dan hij al heeft overlegd in deze en vorige procedures. Eiser 1 heeft zijn uiterste best gedaan, maar zijn inspanningen worden ten onrechte als onvoldoende aangemerkt. Bovendien is eiser 1 op 22 januari 2026 naar de Eritrese ambassade gegaan en heeft foto’s overgelegd om dit te onderbouwen. Tot slot heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het voor eigen risico en rekening komt van eiser 1 dat hij drie kinderen heeft gekregen terwijl hij wist dat hij niet in Nederland mocht blijven. Het Verdrag voor de Rechten van het Kind stelt namelijk dat de belangen van kinderen bij elke beslissing van een land altijd voorop dienen te staan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Ontvankelijkheid
8. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [2] Dat houdt in dat hij moet aangeven op welke specifieke punten hij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [3]
8.1.
Eisers hebben geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift van 26 januari 2026. De rechtbank heeft eisers in haar bericht van 5 februari 2026 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Daarbij is medegedeeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als dit verzuim niet wordt hersteld. Op 9 februari 2026 hebben eisers het bericht van de rechtbank van 5 februari 2026 geüpload in het digitale dossier. Op 19 februari 2026 heeft de rechtbank eisers erop gewezen dat er geen gronden zijn ingediend en eisers verzocht om de reden daarvan te geven. Eisers hebben op 19 februari 2026 alsnog gronden ingediend.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eisers de beroepsgronden buiten de door de rechtbank gestelde termijn heeft ingediend. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [4] volgt dat overschrijding van de verleende termijn in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. Uit het door eisers geüploade bericht van de rechtbank van 9 februari 2026 blijkt dat zij in ieder geval getracht hebben iets in te dienen. Eisers hebben namelijk de brief van de rechtbank geüpload die gaat over het indienen van de beroepsgronden. Naar het oordeel van de rechtbank geeft dit aanleiding om te veronderstellen dat dit de beroepsgronden hadden moeten zijn. De rechtbank stelt daarnaast vast dat op de beroepsgronden die zijn ingediend op 19 februari 2026 de datum van 9 februari 2026 vermeld staat. De gemachtigde van eisers heeft op zitting toegelicht dat de beroepsgronden op 9 februari 2026 klaar waren en dat hij niet goed weet wat er fout is gegaan. Gelet op de verstrekkende gevolgen voor eisers en het feit dat er op 9 februari 2026 wel iets is ingediend, is de rechtbank van oordeel dat hiermee soepel dient te worden omgegaan. De rechtbank verklaart het beroep daarom ontvankelijk.
Mocht verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser 1 ongeloofwaardig vinden?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser 1 ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom eiser 1 niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan om zijn Eritrese nationaliteit en herkomst te onderbouwen. Eiser 1 heeft aangetoond welke stappen hij heeft ondernomen om aan bewijs te komen. Zo heeft hij op zitting toegelicht dat hij samen met zijn gemachtigde naar de Eritrese ambassade is gegaan. Dit heeft eiser ook onderbouwd met foto’s. Eiser 1 heeft daar te horen gekregen dat de Eritrese ambassade hem niet kan helpen zonder documenten. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar enkele opties die DT&V [5] heeft aangedragen. Zo stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser 1 contact kan opnemen met IOM [6] of stichting Goedwerk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende geconcretiseerd wat deze organisaties kunnen betekenen voor eiser 1. De rechtbank ziet zonder deze concretisering immers niet in welke mogelijkheden deze organisaties zouden hebben, nu de Eritrese ambassade al heeft aangegeven eiser 1 niet te kunnen helpen zonder documenten. Eiser 1 heeft op zitting verduidelijkt dat hij heeft geprobeerd de pastoor te vinden, maar dit is ook niet gelukt. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar een rapport [7] op het standpunt gesteld dat eiser 1 met zijn getuigenverklaringen naar de ambassade kan gaan. Naar het oordeel van de rechtbank is dit van onvoldoende gewicht om dat als een concrete optie te zien, nu eiser 1 reeds heeft verduidelijkt dat de Eritrese ambassade hem niet kan helpen zonder documenten. Hier komt bij dat verweerder weinig tot geen waarde hecht aan de door eiser 1 overgelegde getuigenverklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet van eiser 1 worden verwacht dat hij deze optie onderzoekt.
9.1.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Nu uit het voorgaande al volgt dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd, zal de rechtbank geen oordeel geven over de overige beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,-. [8]
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 21 januari 2026;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van
€ 2.802,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
2.Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:6 van Pro de Awb.
4.Zie uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1059.
5.Dienst Terugkeer en Vertrek.
6.Internationale Organisatie voor Migratie.
7.Zie o.a. IRB – Immigration and Refugee Board of Canada (Author): “Eritrea: Requirements and procedures to obtain the national identity card, including within the country and from abroad; appearance, security features and information contained on the card; prevalence of fraud (2016-Sept. 2018).
8.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.