Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9456

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.11474 en NL26.11479
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:54 AwbArt. 20, vijfde lid, DublinverordeningArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Kroatië ongegrond verklaard

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van 2 maart 2026 waarin hun asielaanvragen niet in behandeling zijn genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. Zij stelden dat Kroatië geen effectieve asielprocedure biedt en dat zij risico lopen op schending van hun rechten volgens het EVRM en het Handvest.

De rechtbank overweegt dat binnen de EU het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt, waarbij lidstaten mogen vertrouwen op elkaars naleving van Europese regelgeving. Alleen bij aannemelijk gemaakte systematische tekortkomingen kan hiervan worden afgeweken. De hoogste Nederlandse bestuursrechter heeft bevestigd dat dit beginsel ten aanzien van Kroatië geldt.

Eisers zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Hun eerdere ervaringen in Kroatië betreffen niet de situatie als Dublinclaimanten. Ook is niet gesteld dat zij specialistische medische zorg nodig hebben of dat zij geen toegang tot medische zorg zullen krijgen.

De rechtbank concludeert dat de beroepen kennelijk ongegrond zijn en wijst deze af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.F. Bethlehem op 17 april 2026.

Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid Kroatië worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.11474 en NL26.11479

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres

en
[eiser], V-nummer: [V-nummer 2] , eiser
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 2 maart 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Overwegingen

Eisers stellen te zijn geboren op [geboortedag 1] 1974 respectievelijk [geboortedag 2] 2006 en de Russische nationaliteit te hebben. Zij hebben beiden op 7 oktober 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
In de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Uit het Eurodac-systeem is namelijk gebleken dat eisers eerder asiel hebben aangevraagd in Kroatië. In het Eurodac-systeem registreren de lidstaten van de Europese Unie aan de hand van vingerafdrukken onder meer waar en wanneer iemand asiel aanvraagt. Op 3 december 2025 hebben de Kroatische autoriteiten het verzoek om eisers terug te nemen geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. [2]
3. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Zij voeren aan dat verweerder ten aanzien van Kroatië niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verwezen wordt naar het arrest [persoon 1] tegen Kroatië van 17 juli 2025. [3] Er is sprake van een gebrek aan toegang tot de asielprocedures voor vreemdelingen in Kroatië en dus ook voor eisers. Dit blijkt eens te meer uit de omstandigheid dat eisers in een container zijn vastgehouden in Kroatië en daarna de mededeling kregen om het land uit te gaan, zonder de gelegenheid te krijgen om asiel aan te vragen. Er is sprake van een schending van de artikelen 13 en 3 van het EVRM [4] omdat vreemdelingen in Kroatië niet de mogelijkheid hebben om een geplande uitzetting aan te vechten wegens gebrek aan toegang tot een advocaat en wegens het ontbreken van een effectief rechtsmiddel. Verder wordt er geen of nauwelijks toegang verschaft aan asielzoekers tot de gezondheidszorg. Eisers verwijzen naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 22 oktober 2025 [5] en het arrest [persoon 2] . tegen Slovenië. [6]
4. Binnen de Europese Unie geldt het uitgangspunt dat de lidstaten er over en weer op kunnen vertrouwen dat het Europese recht wordt nageleefd. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van een asielaanvraag, kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste Nederlandse
rechter in onder meer vreemdelingenzaken, heeft in verschillende uitspraken bevestigd dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 november 2025. [7] Dit brengt mee dat ervan uit moet worden gegaan dat eisers na overdracht aan Kroatië in overeenstemming met het Europese recht zullen worden behandeld. In dat kader zijn de Kroatische autoriteiten gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het Handvest. [8] Dit omvat ook de verplichting om eisers de noodzakelijke medische zorg te bieden. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat dat in hun geval niet zo is. Eisers zijn daarin niet geslaagd.
6. Het door eisers aangehaalde arrest [persoon 1] kan niet tot de conclusie leiden dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan omdat het arrest niet ging om een vergelijkbare situatie zoals die van eisers. In de zaak die heeft geleid tot het arrest [persoon 1] ging het om een vreemdeling die Kroatië illegaal was binnengekomen en geen effectief rechtsmiddel kreeg om zijn uitzetting aan te vechten. Deze situatie is niet aan de orde in het geval van eisers omdat zij in het kader van de Dublinverordening gereguleerd zullen worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten en daarmee toegang hebben tot de asielprocedure van Kroatië. De omstandigheid dat in het arrest [persoon 1] niet is gebleken van een effectief rechtsmiddel kan niet worden afgeleid dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de gehele asielprocedure in Kroatië.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers met hun verklaringen over wat zij zelf in Kroatië hebben meegemaakt niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. De verklaringen van eisers over de door hun ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan namelijk over de wijze waarop zij bij eerste aankomst in Kroatië zijn behandeld en niet over de situatie dat eisers als Dublinclaimanten aan Kroatië zullen worden overgedragen. [9] Over dit laatste kunnen eisers ook niet verklaren, omdat zij niet eerder als Dublinclaimant zijn overgedragen aan Kroatië. Eisers zullen ditmaal als Dublinclaimanten worden overgedragen. Het is dan ook niet aannemelijk dat eisers in dezelfde situatie zullen terecht komen als voorheen. Indien eisers in Kroatië toch worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van hun asielaanvragen, in de opvang of anderszins, kunnen zij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eisers niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is.
8. Niet is gesteld of gebleken dat eisers specialistische medische zorg nodig hebben. Niet is aangetoond dat Dublinclaimanten, zoals eisers, een risico lopen om geen medische zorg te krijgen. Het hierboven besproken interstatelijke vertrouwensbeginsel brengt mee dat er vanuit mag worden gegaan dat de medische voorzieningen in Kroatië vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen in Nederland. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.
9. De beroepen zijn kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 17 april 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
3.ECLI:CE:ECHR:2025:0717JUD003877621, nr. 38776/21.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.ECLI:EU:C:2017:127.
8.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.Zie de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en punt 64 van het arrest