Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9444

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.58672 en NL25.58673
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Eritrese vrouw wegens ontbreken reëel risico bij terugkeer

Eiseres, een Eritrese vrouw, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat zij legaal met een visum naar Nederland was gekomen om haar kinderen te bezoeken. De minister van Asiel en Migratie wees haar aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat zij niet tijdig asiel had aangevraagd en geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer aannemelijk had gemaakt.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat verweerder terecht had geoordeeld dat eiseres niet geloofwaardig was over de problemen met de Eritrese autoriteiten vanwege de dienstweigering van haar kinderen. Ook was onvoldoende onderbouwd dat aan haar uitreisvisum een terugkeertermijn was verbonden die zij had overschreden.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiseres geen verschoonbare reden had voor haar late asielaanvraag en dat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.58672 en NL25.58673

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenkamer in de zaak tussen

[eiseres], [V-nummer], eiseres/verzoeker (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

([gemachtigde]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 november 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Eiseres is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit is geboren op [geboortedatum] 1952. Eiseres heeft verklaard dat zij in maart 2023 op legale wijze, met behulp van een paspoort met een visum, uit Eritrea is vertrokken. Eiseres heeft namelijk een uitnodiging gekregen om bij haar kinderen in Nederland op bezoek te gaan. Daarna heeft eiseres besloten om asiel aan te vragen in Nederland. Bij terugkeer vreest eiseres dat zij zal worden ondervraagd over de dienstweigering en desertie van haar kinderen. Ook vreest zij dat zij aan haar lot overgelaten wordt en geen landbouwgrond meer zal hebben.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
de problemen met de Eritrese overheid vanwege desertie en dienstweigering van de kinderen van eiseres.
4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig, maar de problemen met de Eritrese overheid vanwege desertie en dienstweigering van haar kinderen niet. Verweerder heeft daarbij betrokken dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen [1] en dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft [2] . Verder vindt verweerder dat eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd [3] . Verweerder vindt dat eiseres bij terugkeer naar Eritrea geen vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe de volgende gronden aan. Allereerst is het onduidelijk waaruit blijkt dat er rekening is gehouden met het referentiekader van eiseres. Gelet op het tijdsverloop en de leeftijd van eiseres is het voor haar moeilijk om te herinneren wanneer de kinderen Eritrea hebben verlaten en wanneer zij is verhuisd. Verweerder had bijvoorbeeld aanvullend kunnen horen. Dat eiseres ten tijde van het aanmeldgehoor in de war was, had moeten leiden tot het afbreken van het gehoor en opnieuw inplannen van een gehoor na aanvullend medisch onderzoek. Verder heeft verweerder niet nader onderbouwd waarom de informatie uit het ambtsbericht niet direct op eiseres van toepassing is. Uit de informatie blijkt namelijk dat er repercussies zijn voor familieleden van dienstweigeraars en de verklaringen van eiseres passen binnen het beeld dat wordt geschetst in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea 2023. Daarnaast heeft eiseres ten aanzien van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw vermeld dat zij niet wisselend heeft verklaard over de problemen in Eritrea, legaal is uitgereisd, dat zij de reis naar Nederland zelf heeft geregeld en dat zij haar paspoort in Nederland heeft verloren. Met betrekking tot de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid onder d en e, van de Vw wordt verwezen naar de zienswijze. Verweerder heeft bovendien niet adequaat gereageerd op de verwijzing van eiseres naar pagina 21 van het Algemeen Ambtsbericht 2023. Eiseres verwacht namelijk bij terugkeer naar Eritrea problemen, omdat zij te lang buiten Eritrea is geweest. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak [4] van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, waaruit blijkt dat verweerder nader moet onderzoeken of er een terugkeertermijn geldt voor Eritrese uitreisvisa en verweerder niet aan zijn vergewisplicht kan voldoen zonder ook kennis te nemen van de vertrouwelijke bron uit het ambtsbericht, waarin is vermeld dat er mogelijk wel vervolging en detentie plaatsvindt bij verlate terugkeer. Eiseres vindt daarnaast haar asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat zij van mening blijft dat haar verklaringen niet alle overtuigingskracht worden ontnomen en verwijst hieromtrent naar de zienswijze. Tot slot dient eiseres op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [5] in het bezit te worden gesteld van een vergunning, omdat zij geen familie meer heeft in Eritrea en omdat zij afhankelijk is van haar kinderen in Nederland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Mocht verweerder de problemen met de Eritrese overheid vanwege desertie en dienstweigering van de kinderen van eiseres ongeloofwaardig vinden?
7. Allereerst volgt de rechtbank de stelling van eiseres dat er onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiseres niet. Verweerder heeft namelijk in het bestreden besluit verwezen naar het medisch advies van 21 augustus 2024 en mogen vinden dat uit het medisch advies niet volgt eiseres dusdanige medische problemen heeft dat van haar niet mag worden verwacht dat zij coherente en consistente verklaringen kan afleggen. Uit het medisch advies volgt namelijk enkel dat eiseres analfabeet is en moeite heeft met het plaatsen van exacte data bij gebeurtenissen, maar dit wel bij benadering kan benoemen. Bovendien heeft verweerder eiseres gevolgd in haar stelling dat zij niet altijd tot in de kleinste details informatie kan verstrekken en erop gewezen dat op dit vlak ook niets aan haar is tegengeworpen. Ook heeft verweerder in het besluit betrokken dat niet van eiseres verwacht mag worden zij concrete data en/of tijden kan aangeven, maar wel dat zij concrete en consistente informatie kan verstrekken. De stelling van eiseres dat het aanmeldgehoor afgebroken had moeten worden, omdat zij in de war was en een nieuw gehoor na medisch onderzoek ingepland had moeten worden, volgt de rechtbank evenmin. Uit het aanmeldgehoor blijkt namelijk dat de hoormedewerker heeft opgemerkt dat eiseres verward was, maar dat eiseres zelf heeft aangegeven dat zij door wilde gaan met het gehoor. [6] Ook heeft de hoormedewerker eiseres een pauze aangeboden, maar heeft zij aangegeven door te willen gaan met het gehoor. [7] Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet dat verweerder tijdens het aanmeldgehoor onzorgvuldig heeft gehandeld.
7.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de problemen met de Eritrese overheid vanwege desertie en dienstweigering van de kinderen van eiseres ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft mogen betrekken dat eiseres wisselend heeft verklaard over de frequentie van de ondervraging. Eiseres heeft namelijk eerst verklaard dat zij steeds werd ondervraagd door de autoriteiten. [8] Vervolgens heeft zij verklaard dat de autoriteiten bij haar langskwamen op zoek naar haar zoon en daarna haar schoondochter hebben bezocht. Hierna zouden de autoriteiten eiseres nogmaals hebben bezocht. [9] Verder verklaart eiseres dat de autoriteiten één keer zijn langsgekomen voor [naam]. [10] Daarna verklaart eiseres dat de autoriteiten een paar keer in de buurt zijn gekomen. [11] Nadat eiseres is geconfronteerd met haar wisselende verklaringen, verklaart eiseres dat de autoriteiten één keer bij haar langs zijn gekomen. [12] Daarnaast heeft eiseres aan de ene kant verklaard dat zij tegen de autoriteiten heeft gezegd dat haar zoon in [plaats] was [13] , maar aan de andere kant heeft eiseres verklaard dat zij bij bezoek van de autoriteiten heeft aangegeven niet te weten waar haar zoon was [14] . Bovendien heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiseres legaal is uitgereisd en dat dit niet rijmt met de door eiseres gestelde problemen. Uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea blijkt namelijk dat het extreem moeilijk is om een paspoort te krijgen. [15] Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt mogen stellen dat niet valt in te zien dat het voor eiseres mogelijk is om officiële documenten aan te vragen, als zij ook vanwege haar kinderen in de negatieve aandacht stond bij de Eritrese autoriteiten. Vervolgens heeft verweerder mogen vinden dat eiseres wisselend heeft verklaard over de uitnodiging van haar kinderen. Eiseres heeft namelijk eerst verklaard dat zij plotseling is vertrokken, omdat er een reisagent langskwam die zou hebben gezegd dat de kinderen van eiseres wilden dat zij Eritrea zou verlaten. [16] Daarna heeft eiseres verklaard dat zij een uitnodiging kreeg en dat zij binnen twee weken klaar was en weg ging om bij haar dochter op bezoek te komen. [17] De stellingen van eiseres dat zij heeft vermeld dat zij niet wisselend heeft verklaard over de problemen in Eritrea en dat verweerder niet nader heeft onderbouwd waarom de informatie uit het ambtsbericht niet direct op eiseres van toepassing is, maakt het voorgaande niet anders. Eiseres heeft dit namelijk in de zienswijze reeds aangevoerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit op de zienswijze gereageerd. Eiseres heeft in beroep niet nader onderbouwd dan wel geconcretiseerd waarom de reactie van verweerder tekortschiet, hetgeen wel op haar weg had gelegen.
7.2.
Verweerder heeft daarnaast mogen vinden dat eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiseres is namelijk met een visum naar Nederland gekomen in maart of april 2023 en haar visum was geldig tot 12 juli 2023. Eiseres heeft vervolgens op 23 augustus 2023 kenbaar gemaakt zij asiel heeft aangevraagd en zich dus niet binnen 48 uur gemeld voor haar asielaanvraag. Verweerder heeft ook mogen vinden dat eiseres geen verschoonbare reden heeft aangedragen voor het feit dat zij zich te laat heeft gemeld. Ze heeft namelijk enkel verklaard dat ze dacht dat ze zich op tijd had gemeld en dat zij bij haar kinderen heeft verbleven. Verweerder heeft zich eveneens op het standpunt mogen stellen dat eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres tijdens het aanmeldgehoor verklaard heeft dat zij illegaal is uitgereisd, terwijl uit het Europese Visuminformatiesysteem (EU-VIS) is gebleken dat eiseres een visum heeft gekregen van de Nederlandse autoriteiten en legaal is uitgereisd.
Mocht verweerder vinden dat eiseres bij terugkeer naar Eritrea geen vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij een terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade zal lopen. Verweerder heeft hierbij kunnen wijzen op het feit dat eiseres volgens haar eigen verklaringen zonder problemen een uitreisvisum en paspoort heeft gekregen om haar kinderen in Nederland te bezoeken en zij Eritrea legaal is uitgereisd.
Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt. Omdat eiseres betoogt dat er mogelijk een terugkeertermijn aan haar uitreisvisum is verbonden en dat zij door het overschrijden daarvan een dergelijk risico loopt, is het aan haar om eerst aannemelijk te maken dat haar een terugkeertermijn is opgelegd door de Eritrese autoriteiten. Met verweerder leest de rechtbank de toelichting van 30 april 2025 op het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023 zo, dat er geen aanwijzingen zijn dat aan het uitreisvisum van eiseres een terugkeertermijn is verbonden. In de toelichting wordt weliswaar bevestigd dat uit twee in het ambtsbericht aangehaalde bronnen kan worden opgemaakt dat aan het uitreisvisum (in bepaalde gevallen van officiële reisdoelen) een termijn verbonden was waarbinnen de houder moest terugkeren, maar volgt ook dat uit verschillende andere bronnen expliciet blijkt dat er aan een uitreisvisum geen terugkeertermijn is verbonden. Personen die reisden voor officieel bezoek in het buitenland lopen het risico dat hun verblijf in het buitenland als illegaal werd beschouwd indien zijn niet terugkeerden na het bezoek. Voor andere reizigers – de rechtbank begrijpt: voor reizigers als eiseres – zou dit risico ‘vrijwel nihil’ zijn. Dat voor de toelichting deels gebruik is gemaakt van vertrouwelijke – en dus niet anonieme – bronnen, betekent niet dat de verweerder zich niet op deze informatie heeft mogen baseren. Daarbij heeft verweerder op zitting verwezen naar het nieuwe ambtsbericht van Eritrea van december 2025, hetgeen ten tijde van verweerders besluitvorming nog niet was uitgebracht. Uit de informatie uit het ambtsbericht blijkt dat er geen terugkeertermijn op het uitreisvisum staat en dat personen die legaal zijn uitgereisd op een willekeurig moment kunnen terugkeren naar Eritrea [18] .
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres in het licht van het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat er een terugkeertermijn aan haar uitreisvisum is gekoppeld. Zij heeft ook niet haar paspoort overgelegd, omdat zij stelt dat ze deze is kwijtgeraakt. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres in deze context niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt bij een terugkeer naar Eritrea.
8.2.
Verder heeft verweerder mogen vinden dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de Eritrese autoriteiten zullen weten dat eiseres in Nederland asiel heeft aangevraagd. Hoewel uit het Algemeen Ambtsbericht blijkt dat eiseres zeer waarschijnlijk op de luchthaven zal worden ondervraagd, nu zij langere tijd buiten Eritrea heeft verbleven, betekent dit nog niet dat op dat moment zal blijken dat eiseres asiel heeft aangevraagd in Nederland. Van eiseres mag worden verwacht dat zij deze informatie niet deelt met de Eritrese autoriteiten. Verweerder heeft daarnaast ter zitting toegelicht dat eiseres zelfstandig moet terugkeren naar Eritrea en dat er – gelet op het ambtsbericht van 2025 – geen sprake zal zijn van een gedwongen terugkeer naar Eritrea, waarbij er contact moet worden opgenomen met de Eritrese autoriteiten. Verder is niet gesteld of gebleken dat de in het Algemeen Ambtsbericht genoemde factoren die relevant zijn bij de beoordeling van de risico-inschatting bij een terugkeer naar Eritrea in het nadeel van eiseres zullen uitvallen. Er zijn (daarom) onvoldoende aanknopingspunten dat eiseres bij een terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade loopt.
9. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij – los van de gestelde overschrijding van een terugkeertermijn – een reëel risico op ernstige schade loopt bij een terugkeer naar Eritrea. Verweerder heeft mogen vinden dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een risico loopt om ondervraagd te worden vanwege haar kinderen, nu haar zoon inmiddels in [land] verblijft. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiseres inmiddels 8 jaar alleen Eritrea verbleef en niet meer vanwege haar kinderen is ondervraagd door de Eritrese autoriteiten.
10. Tot slot heeft eiseres in beroep benoemd dat er sprake zou zijn van toegedichte politieke overtuiging. De rechtbank wil er op wijzen dat eiseres dit op zitting heeft verduidelijkt als landverraad in de zin van 3 EVRM en dat er geen sprake is van een zelfstandige beroepsgrond dan wel een nieuw asielmotief.
Mocht verweerder de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
11. Gelet op hetgeen door de rechtbank onder rechtsoverweging 8.1 is overwogen, mocht verweerder de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres zich niet onverwijld heeft gemeld en daarvoor geen verschoonbare reden heeft. [19] Nu verweerder de asielaanvraag reeds hierom mocht afwijzen als kennelijk ongegrond, behoeven de overige beroepsgronden ten aanzien hiervan geen bespreking meer.
Mocht verweerder vinden dat er geen sprake is van beschermingswaardig familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM?
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder mogen vinden dat hetgeen eiseres heeft gesteld en heeft overgelegd om haar gestelde relatie te onderbouwen, onvoldoende aannemelijk maakt dat er sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond een herhaling van de zienswijze is. Verweerder heeft in het bestreden besluit op de zienswijze gereageerd. Eiseres heeft in beroep niet aangegeven waarom de reactie van verweerder tekortschiet, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Eiseres heeft daarnaast enkel gesteld, maar niet nader onderbouwd dat er sprake is van een toenemende emotionele afhankelijkheid aan haar kinderen.

Conclusie en gevolgen

13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
14. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
15. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S. Vlassak, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
2.Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.
3.Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw.
4.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 21 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22939.
5.Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Gehoorverslag aanmeldgehoor, pagina 9.
7.Gehoorverslag aanmeldgehoor, pagina 9.
8.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 6.
9.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 7.
10.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 11.
11.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 12.
12.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 12.
13.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 12.
14.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 12.
15.Algemeen Ambtsbericht Eritrea, mei 2022, pagina 19.
16.Gehoorverslag aanmeldgehoor, pagina 10.
17.Gehoorverslag nader gehoor, pagina 15.
18.Algemeen Ambtsbericht Eritrea, december 2025, pagina 25 t/m 27.
19.Artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw.