De minister van Asiel en Migratie legde op 9 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de maatregel op op 13 april 2026 en bood schadevergoeding en proceskosten aan.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring vanaf 24 februari 2026, het moment waarop het vooronderzoek in een eerdere procedure werd gesloten. De rechtbank concludeerde dat de maatregel tot 3 maart 2026 rechtmatig was en dat de onrechtmatigheid pas vanaf die datum aanving, omdat de minister toen onvoldoende voortvarend handelde.
Eiser stelde dat de onrechtmatigheid al vanaf 24 februari 2026 bestond, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De rechtbank wees erop dat de minister op 16 februari 2026 nog een vertrekgesprek met eiser had en dat eerdere uitspraken de voortvarendheid van de minister bevestigden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, kende een schadevergoeding van €5.040 toe voor de periode van 3 maart tot 13 april 2026 en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.868. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.