Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9412

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.18596
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting maatregel van bewaring

De minister van Asiel en Migratie legde op 9 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De minister hief de maatregel op op 13 april 2026 en bood schadevergoeding en proceskosten aan.

De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de bewaring vanaf 24 februari 2026, het moment waarop het vooronderzoek in een eerdere procedure werd gesloten. De rechtbank concludeerde dat de maatregel tot 3 maart 2026 rechtmatig was en dat de onrechtmatigheid pas vanaf die datum aanving, omdat de minister toen onvoldoende voortvarend handelde.

Eiser stelde dat de onrechtmatigheid al vanaf 24 februari 2026 bestond, maar de rechtbank verwierp dit standpunt. De rechtbank wees erop dat de minister op 16 februari 2026 nog een vertrekgesprek met eiser had en dat eerdere uitspraken de voortvarendheid van de minister bevestigden.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, kende een schadevergoeding van €5.040 toe voor de periode van 3 maart tot 13 april 2026 en veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten van €1.868. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank kent eiser een schadevergoeding van €5.040 toe voor de onrechtmatige voortzetting van de maatregel van bewaring vanaf 3 maart 2026 en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18596

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

De minister heeft op 9 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 13 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. De minister heeft daarbij schadevergoeding en vergoeding van de proceskosten aangeboden.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 maart 2026 [1] (in de zaak NL26.7729) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 februari 2026.
3. De rechtbank stelt vast dat de minister voorafgaand aan de zitting aan eiser schadevergoeding heeft aangeboden tot een bedrag van € 5.040,- voor het verblijf in een huis van bewaring vanaf 3 maart 2026 tot en met 13 april 2026. Daarbij heeft de minister ook een bedrag van € 934,- als vergoeding van de proceskosten aangeboden.
Ingangsdatum schadevergoeding
4. Eiser voert op de zitting aan dat de minister er ten onrechte van uitgaat dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf 3 maart 2026. Volgens eiser is het laten voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig geweest sinds 24 februari 2026. Op die dag is namelijk het vooronderzoek in de vorige procedure gesloten en vanaf dat moment is niet getoetst of de maatregel onrechtmatig was. Eiser is daarom van mening dat de minister schadevergoeding had moeten toekennen vanaf 24 februari 2026 in plaats van 3 maart 2026.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond om aan te nemen dat de maatregel van bewaring op een eerder tijdstip onrechtmatig was dan vanaf 3 maart 2026. De minister is kennelijk tot het inzicht gekomen dat de maatregel vanaf 3 maart 2026 onrechtmatig was en heeft de bewaring op 13 april 2026 opgeheven met als reden “niet voortvarend gehandeld DT&V”. In de eerdere uitspraak van 2 maart 2026 heeft de rechtbank nog geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de annulering van een presentatie bij de Ethiopische autoriteiten geen reden was om aan te nemen dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat vóór 3 maart 2026 al sprake was van onvoldoende voortvarend handelen door de minister. De enkele omstandigheid dat het onderzoek op 24 februari 2026 is gesloten en de periode tussen 24 februari 2026 en 3 maart 2026 niet is beoordeeld, brengt niet met zich dat de minister vanaf 24 februari 2026 onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld. Daartoe merkt de rechtbank nog op dat de minister op 16 februari 2026 nog een vertrekgesprek heeft gehad met eiser. De rechtbank ziet ook verder geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de maatregel van bewaring op een eerder moment dan 3 maart 2026 onrechtmatig was. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat aan eiser schadevergoeding zal worden toegekend. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de schadevergoeding moet worden vastgesteld op een bedrag van € 5.040, voor het verblijf in een huis van bewaring voor de periode vanaf 3 maart 2026 tot 13 april 2026. De rechtbank zal de minister in de proceskosten van eiser veroordelen en begroot deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht op €1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 5.040 en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten aan eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr.B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Uitspraak in de zaak NL26.7729, ECLI:NL:RBDHA:2026:4179.