De minister van Asiel en Migratie legde op 27 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 13 april 2026 opgeheven nadat op 12 april 2026 op de asielaanvraag van eiser was beslist.
De rechtbank behandelde het beroep op 14 april 2026 en beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. Eiser stelde dat de bewaring met terugwerkende kracht onrechtmatig was omdat het doel van de bewaring, het voorkomen van secundaire migratiestromen, niet meer kon worden bereikt na afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring op het moment van oplegging rechtmatig was omdat de asielaanvraag toen nog in behandeling was. De verwijzing van eiser naar jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State leidde niet tot een ander oordeel. De rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve tot een andere conclusie te komen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.