Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9410

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL26.19090
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 27 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 13 april 2026 opgeheven nadat op 12 april 2026 op de asielaanvraag van eiser was beslist.

De rechtbank behandelde het beroep op 14 april 2026 en beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. Eiser stelde dat de bewaring met terugwerkende kracht onrechtmatig was omdat het doel van de bewaring, het voorkomen van secundaire migratiestromen, niet meer kon worden bereikt na afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank oordeelde dat de bewaring op het moment van oplegging rechtmatig was omdat de asielaanvraag toen nog in behandeling was. De verwijzing van eiser naar jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State leidde niet tot een ander oordeel. De rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve tot een andere conclusie te komen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19090

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 13 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat op 12 april 2026 op de asielaanvraag van eiser is beslist.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Is de maatregel van bewaring met terugwerkende kracht onrechtmatig geweest?
2. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring met terugwerkende kracht onrechtmatig moet worden geacht vanaf de dag van het opleggen van de maatregel.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 september 2017 [1] volgt namelijk dat een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld ondanks dat hij nog niet kan worden uitgezet. Het doel van de bewaring is dan om secundaire migratiestromen te voorkomen. Nu de asielaanvraag van eiser is afgewezen, kan het doel van de bewaring niet worden behaald en is de bewaring nooit noodzakelijk geweest. Eiser wijst hierbij ook op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) uit 2021. [2]
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het feit dat de grondslag van de bewaring in geval van eiser is komen te vervallen vanwege de beslissing op zijn asielaanvraag niet dat de bewaring vanaf de aanvang onrechtmatig is geweest. Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en deze grondslag was op dat moment juist, omdat de asielaanvraag van eiser nog in behandeling was. Uit de uitspraak van de Afdeling, waar eiser naar verwijst, blijkt ook enkel dat de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag kan worden gelegd op het moment dat de asielaanvraag wordt afgewezen en dat de maatregel in die zaak daarom onrechtmatig was één dag na de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank leest hierin niet dat de maatregel al op het moment van oplegging onrechtmatig is geweest.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.HvJEU 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:680
2.ABRvS 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).