Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9394

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL25.22693
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 4 KwalificatierichtlijnVreemdelingenwet 2000EVRMArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken

Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende op 10 juli 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in. De minister wees deze aanvraag op 24 april 2025 af, stellende dat eiser onvoldoende geloofwaardig had gemaakt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging door de Taliban liep. Eiser voerde beroep aan tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door geen Verklaring van Onderzoek op te stellen bij het neutrale advies van het Bureau Documenten en eiser niet de mogelijkheid te bieden hierop te reageren. Tevens bevat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister meerdere motiveringsgebreken, onder meer door onvoldoende samenhangende beoordeling van documenten en verklaringen.

De rechtbank stelt vast dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij en zijn familie door de Taliban worden bedreigd vanwege de werkzaamheden van zijn broer bij de drugsbestrijding. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij de dreigbrieven en andere bewijsstukken niet geloofwaardig acht. Ook het standpunt dat er geen gegronde vrees zou zijn omdat de broer al gepakt is, wordt verworpen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd; de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22693
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.2.
Eiser heeft op 10 juli 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.3.
De minister heeft met het bestreden besluit van 24 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en K. Wali als tolk. De minister heeft zich afgemeld voorafgaand aan de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2.1.
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 2002 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser legt aan zijn asielrelaas ten grondslag dat hij problemen heeft met de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn broer. Eisers broer was werkzaam als sergeant voor de drugsbestrijding van de Afghaanse autoriteiten welke werd opgeleid door de Amerikaanse overheid. In mei 2021 heeft eisers broer tijdens een inval een hoeveelheid drugs in beslag genomen die behoorde tot een commandant van de Taliban, genaamd [naam] . Vervolgens ontving eiser een dreigbrief waarin stond dat eisers vader, zijn broer en hij worden gezien als ongelovigen en dat zij vermoord moeten worden. Hierna is eisers broer na een bezoek aan de familie spoorloos verdwenen. Eisers vader is door de Taliban mishandeld en vermoord. Toen eiser hierna een tweede dreigbrief ontving die alleen aan hem was gericht, is hij Afghanistan ontvlucht. Op het moment dat de moeder van eiser de derde dreigbrief ontving, was eiser al in Iran. De pachter van het land heeft later verklaard dat de Taliban nog steeds op zoek zijn naar eiser. Eiser vreest voor zijn leven en is ervan overtuigd dat hij wordt vermoord door de Taliban als hij terugkeert naar Afghanistan.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Eiser is het doelwit van de Taliban wegens de werkzaamheden van zijn broer bij de drugsbestrijding van de Afghaanse autoriteiten.
4.1.
Eiser heeft een originele Afghaanse taskera overgelegd ter onderbouwing van zijn identiteit. Deze is door Bureau Documenten echt bevonden waardoor eisers identiteit, nationaliteit en herkomst door de minister geloofwaardig zijn geacht.
4.2.
De minister vindt eisers problemen met de Taliban vanwege de werkzaamheden van zijn broer niet geloofwaardig. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas documenten overgelegd waaronder kopieën van de dreigbrieven, de aangiften van de vermissing van de broer, en een bewijs van training en een certificaat van de US Drug Enforcement Administation. Ook heeft eiser een originele taskera en een middelbaar schooldiploma van zijn vader overgelegd en video’s van de begrafenis van zijn vader, waarin te zien is dat zijn vader ligt opgebaard in een kist. De minister heeft over dit beeldmateriaal het standpunt ingenomen dat de video’s en foto’s niet onderbouwen dat eisers vader om het leven is gekomen door mishandeling. Omdat eiser verder geen documentatie heeft overgelegd die de moord op zijn vader onderbouwt, ziet de minister geen aanleiding om een standpunt in te nemen over de overgelegde identificerende bewijzen van eisers vader.
4.3.
De minister volgt eiser ook niet in zijn verklaring waarom zijn familie geen aangifte heeft gedaan na de dood van eisers vader. Eiser zegt dat dit niet is gedaan omdat de Taliban na zijn vertrek aan de macht zijn gekomen. De minister werpt eiser op dit punt tegen dat de vader van eiser in juni 2021 is overleden terwijl de Taliban in augustus 2021 aan de macht kwamen. De minister meent dat er ruim de tijd was om aangifte te doen voordat de Taliban aan de macht kwamen. Daarnaast had eiser ook kunnen vragen naar een overlijdensakte. Dat er geen overlijdensakte is, omdat die enkel wordt verstrekt wanneer daar naar wordt gevraagd, verklaart nog niet waarom eiser of zijn familie hier niet naar hebben gevraagd.
4.4.
Ten aanzien van de overgelegde dreigbrieven volgt de minister de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2020, namelijk dat uit openbare informatie blijkt dat persoonsgerichte dreigbrieven die van de Taliban afkomstig zijn vrijwel zonder uitzondering vals zijn. Dat eiser hierover heeft verklaard dat het geen dreigbrieven zijn maar oproepen aan strijders, doet hier volgens de minister niet aan af.
4.5.
De minister werpt eiser ook tegen dat de gehele handelswijze van de Taliban onlogisch blijft. De Taliban waren op de hoogte van eisers adres. Het is dan onlogisch dat de Taliban eiser niet gelijk hebben meegenomen, maar hem een periode van ruim een maand brieven bleven sturen. Nu de door eiser overgelegde dreigbrieven niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn asielmotief, de dood van eisers vader niet kan worden gelinkt aan de gestelde mishandeling door de Taliban en eiser verder op geen andere wijze kan aantonen dat de Taliban hem zoeken, blijft de minister erbij dat eiser zich enkel op aannames baseert. De minister stelt om die reden dat eisers vrees bij terugkeer naar Afghanistan niet aannemelijk heeft gemaakt.
4.6.
Met betrekking tot het beroep op het Vluchtelingschap en artikel 3 van Pro het EVRM [1] merkt de minister het volgende op. De documenten die zien op de werkzaamheden van eisers broer en zijn vermissing hebben een neutraal onderzoek advies ontvangen vanuit Bureau Documenten. Dit houdt in dat er geen uitspraak kan worden
gedaan over de opmaak en afgifte van deze documenten. Dit, in combinatie met de beoordeling van het asielrelaas, maakt dat de minister eiser niet het voordeel van de twijfel geeft. In aanvulling daarop stelt de minister in het verweerschrift dat in het landenbeleid over Afghanistan staat dat familieleden van personen die werkzaam zijn voor de Afghaanse veiligheidstroepen niet zijn aangemerkt als risicoprofiel. Uit de landeninformatie blijkt niet dat ieder familielid gevaar zou lopen. Daarbij blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2023 [2] dat de Taliban familieleden vooral bedreigden om druk uit te oefenen op voormalige ambtenaren. Omdat de Taliban volgens eiser zijn broer al te pakken hebben, valt niet in te zien waarom de Taliban nog druk op eiser zouden moeten uitoefenen.
Is er sprake van onzorgvuldig handelen?
5.1.
Eiser is van mening dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door geen Verklaring van Onderzoek op te stellen en eiser niet de mogelijkheid te bieden om te reageren op het advies van het Bureau Documenten. Op 15 oktober 2024 heeft de minister een voornemen uitgebracht. Vervolgens heeft hij Bureau Documenten op 11 november 2024 een onderzoek naar de documenten van eiser laten verrichten. Eiser heeft pas indirect kennis genomen van deze resultaten in het bestreden besluit. Er is geen Verklaring van Onderzoek opgesteld door Bureau Documenten. Eiser heeft dus niet de mogelijkheid gehad om te reageren op dit advies in de zienswijze, wat onzorgvuldig is.
5.2.
Uit het bestreden besluit volgt dat de documenten die zien op de werkzaamheden van eisers broer en zijn vermissing een neutraal advies hebben ontvangen vanuit Bureau Documenten. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een neutraal advies geen Verklaring van Onderzoek wordt opgesteld en verwijst ter onderbouwing naar pagina 6 van de vakbijlage van Bureau Documenten. Het is de minister niet gebleken welk belang eiser heeft bij een Verklaring van Onderzoek waaruit geen (nieuwe) informatie valt op te maken omdat de authenticiteit niet vast te stellen is [3] . De minister volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat er sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen door geen Verklaring van Onderzoek te overleggen.
5.3
De rechtbank kan uit de vakbijlage niet afleiden dat bij een neutraal advies geen Verklaring van Onderzoek volgt [4] . Op pagina 6 van de vakbijlage staat namelijk: “Wanneer een document negatief wordt beoordeeld of wanneer er vermeldenswaardige bevindingen zijn, wordt door de document onderzoeker altijd een Verklaring van Onderzoek opgemaakt” [5] . Dat dit dan niet/nooit gebeurt bij een neutraal advies volgt niet uit de vakbijlage. Verwarrend in dat verband is dat verderop in de vakbijlage, op pagina 8, staat uitgelegd wat het betekent als Bureau Documenten
ineen Verklaring van Onderzoek tot neutraal advies komt. [6] De rechtbank kan dan ook met de enkele verwijzing naar de vakbijlage niet zonder meer begrijpen waarom in eisers geval geen Verklaring van Onderzoek is opgesteld. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat het om meerdere onderbouwende documenten gaat waar geen uitspraak over de authenticiteit ervan kan worden gedaan en waarover de minister in het bestreden besluit stelt dat niet wordt ingezien dat de neutraal bevonden documenten eiser het voordeel van de twijfel geven. Met een Verklaring van Onderzoek zouden eiser en zijn gemachtigde toegang kunnen krijgen tot de onderliggende informatie waarop Bureau Documenten haar conclusies baseert. Zonder inzicht in de onderliggende informatie waarop de conclusies zijn gebaseerd, zijn deze niet effectief te bestrijden.
5.4
De beroepsgrond slaagt dus. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit zorgvuldigheidsgebrek te passeren of de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat het besluit gelet op het hierna volgende nog andere gebreken bevat.
Heeft de minister de juiste geloofwaardigheidstoets verricht?
6.1.
Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag niet volgens het gestelde in artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn en de bijbehorende jurisprudentie [7] heeft getoetst. In de werkinstructie 2024/6 (hierna: WI 2024/6) wordt beschreven hoe de geloofwaardigheid van het relaas zou moeten worden beoordeeld. In het voornemen stapt de minister meteen naar stap 2b omdat het asielrelaas van eiser niet is onderbouwd met objectieve documenten die zijn relaas ondersteunen. De minister betrekt bij de beoordeling van stap 2a enkel ‘objectieve documenten’ en laat daardoor andere documenten buiten beoordeling in deze fase van de procedure. Dit betekent dat de minister gelijk toetst aan artikel 31, zesde, lid van de Vw [8] , gelijk zijnde aan artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Eiser komt door deze werkwijze in een slechtere bewijspositie terecht. Het besluit is om die reden niet zorgvuldig tot stand gekomen.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. [9] Met de publicatie van de WI [10] 2024/6 heeft de minister een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling geïntroduceerd voor asielzaken. De oude WI 2014/10 is hiermee vervangen. De minister heeft deze nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling ook vastgesteld in beleid. [11]
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat de inhoud van deze werkinstructie in deze procedure niet voorligt, maar dat zij dient te beoordelen of de door de minister in deze procedure verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling verenigbaar is met het (Unie)recht en het EVRM. Hierbij kan de door de minister in WI 2024/6 neergelegde wijze van het beoordelen van de geloofwaardigheid in asielzaken wel relevant zijn.
6.4.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de in WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht of het EVRM strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 7.1-7.3 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025 [12] en rechtsoverwegingen 6.2. en 6.3. van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 20 oktober 2025 [13] , en maakt deze overwegingen de hare. Uit deze uitspraken volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het (Unie)recht is.
6.5.
In WI 2024/6 is toegelicht hoe de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken verricht. Daarin worden drie stappen onderscheiden. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling dient hierbij alle relevante elementen ter onderbouwing van zijn asielaanvraag in te dienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden bestaat er een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en de minister. De minister stelt in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vast. In stap 2 toetst de minister deze asielmotieven op geloofwaardigheid. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a beoordeelt de minister of een vreemdeling voldoende objectief bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Als er niet is voldaan aan stap 2a gaat de minister over naar stap 2b. In die stap toetst de minister aan vijf cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen. In WI 2024/6 is bepaald dat als het asielmotief niet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden voldoet, het niet geloofwaardig is. [14] Stap 2 wordt afgesloten met een eindconclusie over de geloofwaardigheidstoets. Tot slot wordt in stap 3 de besluitvorming samengevat en aangegeven welke geloofwaardig geachte asielmotieven worden doorgetoetst of, in het geval dat alle asielmotieven niet geloofwaardig geacht zijn, dat er geen verdere toets plaatsvindt.
6.6.
Naar het oordeel van de rechtbank is het voldoen aan de cumulatieve voorwaarden niet doorslaggevend om tot de geloofwaardigheid van een asielmotief te kunnen komen. De minister moet na toetsing aan de vijf cumulatieve voorwaarden, alle omstandigheden in samenhang beoordelen om pas dan tot een conclusie over de geloofwaardigheid te komen. [15]
6.7
De rechtbank stelt vast dat de minister ten aanzien van alle door eiser bij zijn aanvraag overgelegde documenten een standpunt heeft ingenomen en in die zin de documenten heeft betrokken. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt, en dat zoals uit de overwegingen hierna blijkt, de stukken niet in onderlinge samenhang en in het licht van de verklaringen van eiser zijn bezien en beoordeeld.
Heeft de minister het asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
7.1.
Eiser is het niet eens met de beslissing van de minister om zijn asielrelaas ongeloofwaardig te achten. Daartoe voert eiser verschillende punten aan. De minister gaat er onverkort vanuit dat het dreigbrieven van de Taliban vals zouden zijn, terwijl dit in werkelijkheid arrestatiebevelen dan wel kennisgevingen zijn. Als de minister de documenten dan toch als dreigbrieven aanmerkt, merkt eiser op dat in het Belgische Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen [16] aanzienlijk minder stellig wordt geconcludeerd dat alle dreigbrieven van de Taliban uit die tijd vals zouden zijn. Daarbij maakt de minister de kanttekening dat de documenten niet op authenticiteit konden worden onderzocht omdat eiser kopieën heeft overgelegd. Eiser meent dat de minister dit niet aan hem kan tegenwerpen, nu eiser wel andere originele documenten heeft overgelegd maar deze ook niet op authenticiteit konden worden onderzocht. De minister werp eiser ook onterecht tegen dat de overlijdensakte van zijn vader niet is overgelegd. Eiser voert hiertoe aan dat de minister hem iets tegenwerpt wat er niet is. Eiser is het tot slot niet eens met het standpunt van de minister dat zijn verhaal niet samenhangend en onlogisch zou zijn. De minister verlangt van eiser inzichtelijk te maken waarom de Taliban heeft gehandeld zoals zij hebben gehandeld. Dit kan simpelweg van hem niet worden verwacht.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling meerdere motiveringsgebreken bevat en zal dat hieronder toelichten.
7.2.1.
De minister werp eiser tegen dat aan de aangifte van de vermissing van de broer van eiser geen waarde kan worden gehecht omdat dit gebaseerd is op een eigen verklaring. De rechtbank vindt die motivering onvoldoende. Zoals eiser ook heeft opgemerkt is een aangifte immers altijd gebaseerd op een eigen verklaring van de persoon die aangifte heeft gedaan. De minister dient dan ook kenbaarder te motiveren waarom de overgelegde aangifte niet tot een ander oordeel leidt. Overigens is de rechtbank er ambtshalve mee bekend dat de minister in andere zaken regelmatig tegenwerpt dat een aangifte ontbreekt, net zoals de minister dat nu doet met betrekking tot het ontbreken van de overlijdensakte.
7.2.2.
Wat betreft het ontbreken van die overlijdensakte heeft eiser verklaard dat burgers alleen een akte van overlijden krijgen als men deze opvraagt omdat er een noodzaak voor bestaat. In het bestreden besluit heeft de minister daarover opgemerkt dat dit nog niet verklaart waarom eiser of zijn familie hier niet naar hebben gevraagd. Op zichzelf vindt de rechtbank dat geen onlogische redenering. Op de zitting heeft eiser echter toegelicht dat hij snel is gevlucht na de dood van zijn vader. Verder heeft de minister eisers standpunt dat de Taliban feitelijk al veel macht hadden in de maanden voordat zij officieel de macht grepen niet betwist. Het is dus maar de vraag of eisers familie dan wel die akte had kunnen verkrijgen [17] . De rechtbank overweegt verder dat de dood van de vader niet ter discussie staat. Wel of die dood het gevolg is van mishandeling door de Taliban. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt op zitting dat op de overlijdensakte waarschijnlijk niet zou staan dat de vader van eiser is vermoord door de Taliban, maar enkel of het een natuurlijke dood betreft of niet. De rechtbank sluit zich daarom aan bij het standpunt van eiser dat er geen noodzaak was om de overlijdensakte op te vragen en dat eiser op de vlucht was. Het ontbreken van de overlijdensakte kan hem om die reden niet meer worden tegengeworpen.
7.2.3.
Ten aanzien van de dreigbrieven overweegt de rechtbank nog als volgt. De minister heeft deze stukken niet willen onderzoeken, onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2020. Volgens de minister volgt daaruit dat uit openbare informatie blijkt dat persoonsgerichte dreigbrieven die van de Taliban afkomstig zijn vrijwel zonder uitzondering vals zijn. De rechtbank stelt vast dat deze informatie in het ambtsbericht niet openbaar is, maar stoelt op de informatie van één vertrouwelijke bron. En dat de verslagperiode van dit ambtsbericht ziet op de periode voordat de Taliban aan de macht kwamen. In het volgende Algemeen Ambtsbericht van maart 2022 staat ten aanzien van de dreigbrieven door de Taliban dat zich tussen de publicatie van het vorige ambtsbericht en de machtsovername geen nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan op dit vlak. Er staat echter ook dat er na de machtsovername door de Taliban verschillende berichten waren over individuen die dreigbrieven hadden ontvangen en dat het niet mogelijk was om informatie over de echtheid van deze brieven in te winnen. Dit is dus een genuanceerder beeld. In de Algemene Ambtsberichten van juni 2023 en december 2025 staat vervolgens niets meer opgenomen over dreigbrieven van de Taliban. Nu de minister een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling moet maken dient de minister, ex nunc toetsende, hiermee rekening te houden. Niet valt in te zien waarom de minister de overgelegde documenten niet zou laten onderzoeken.
Heeft de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan geen gegronde vrees heeft voor vervolging/ reëel risico op ernstige schade loopt?
8. De rechtbank overweegt dat het niet in geschil is dat eiser een familielid heeft die voor de overheid heeft gewerkt. De minister stelt dat er geen vrees voor vervolging meer bestaat omdat de broer van eiser al gepakt is. De rechtbank acht dit standpunt onvoldoende. Eiser heeft immers verklaard dat zijn broer destijds in de handen van de Taliban is gekomen en dat de druk kan blijven bestaat tot de Taliban hun door zijn broer in beslag genomen drugs terug hebben. De minister heeft dit niet betwist. De rechtbank overweegt dat er ook op dit punt sprake is van een motiveringsgebrek, nu eiser verschillende documenten heeft overgelegd die zijn gestelde vrees voor vervolging als hij terugkeert naar Afghanistan onderbouwen en hiervoor al is geoordeeld dat deze documenten niet in onderlinge samenhang, in samenhang met eisers verklaringen en met wat uit het land van herkomst bekend is, zijn bezien en beoordeeld.

Conclusie en gevolgen

9.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de voorgaande overwegingen geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Omdat de minister alsnog een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling dient te maken in overeenstemming met deze uitspraak, ziet de rechtbank geen ruimte om zelf een beslissing over de aanvraag te nemen.
9.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
9.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 24 april 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
2.Zie pagina 74.
3.Ter onderbouwing verwijst de minister naar het arrest L.H van het HvJEU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478.
4.Zie in dit verband ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24953.
5.Dat er een Verklaring van Onderzoek wordt opgesteld wanneer documenten negatief beoordeeld zijn staat overigens ook op pagina 4 van de vakbijlage.
6.Er staat: “Er wordt alleen ‘neutraal advies’ ingevuld als echtheid, opmaak en afgifte en inhoud alle drie de conclusie ‘geen uitspraak’ hebben gekregen. In dit geval is het document wel volledig onderzocht en heeft het document juist door het onderzoek een neutraal advies gekregen”. Zie ook pagina 9 van de vakbijlage voor een voorbeeld van een neutraal advies in een Verklaring van Onderzoek.
7.Arrest van Hof van Justitie van 22 november 2012, ECLI:EU:C:2012:744 en Arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:487.
8.Vreemdelingenwet 2000.
9.Zie ook de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 14 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10323.
10.Werkinstructie.
11.Zie paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
14.Zie ook paragraaf C1/4.3.2.6 van de Vc 2000.
15.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Overijssel van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6148 en Uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7385.
16.Gepubliceerd op 13 september 2024.
17.Uit het meest recente ambtsbericht van december 2025 blijkt ook dat de Taliban in de zomer van 2021 aan een opmars bezig waren.