Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9391

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
NL24.35965
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 12 IVRKArt. 3:2 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens beschermenswaardig familieleven

Eisers, familieleden van een referent die in Nederland verblijft, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel verblijf als familie- of gezinslid. De minister wees deze aanvragen af, waarna eisers bezwaar maakten en vervolgens beroep instelden bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat er sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro tussen de referent en zijn ouders, meerderjarige broers en minderjarige zussen en broer. Ook tussen het kind van de referent en diens grootouders zijn hechte persoonlijke banden vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat de afwijzing onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is, mede omdat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de familierechtelijke relatie.

De rechtbank benadrukt dat de langdurige onvrijwillige onderbreking van samenwoning niet aan eisers kan worden tegengeworpen en dat de financiële en emotionele afhankelijkheid van eisers van de referent groot is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen tien weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het belang van het kind en het horen van het kind in acht moeten worden genomen. Tevens worden de proceskosten aan de minister opgelegd.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsvereisten en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van beschermenswaardig familieleven.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.35965
V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2]
[v-nummer 3] , [v-nummer 4] , [v-nummer 5]
[v-nummer 6] , [v-nummer 7] , [v-nummer 8]

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1960, eiser,

[eiseres], geboren op [geboortedag 2] 1970, eiseres,
[eiser 3], geboren op [geboortedag 3] 1995, eiser,
[eiser 4], geboren op [geboortedag 4] 1998, eiser,
[eiser 5], geboren op [geboortedag 5] 2003, eiser,
[eiseres 2], geboren op [geboortedag 6] 2005, eiseres,
[eiseres 3], geboren op [geboortedag 7] 2008, eiseres,
[eiser 8], geboren op [geboortedag 8] 2011, eiser,
allen van Afghaanse nationaliteit,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G. Wischhoff ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om een verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon 1] (de zoon/broer van eisers, die in deze procedure optreedt als referent)”.
1.1.
Met drie besluiten van 20 december 2022 heeft verweerder de aanvragen van eisers afgewezen. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 29 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers
ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eisers hebben aanvullende gronden ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvragen van eisers goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar deze zaak over gaat
4. Eisers en referent woonden samen in Afghanistan. [persoon 1] is de oudste zoon van het gezin. Ook de vrouw van referent en zijn zoon [persoon 2] , geboren in 2014, woonden bij het gezin. [persoon 1] werkte vanaf 2010 als vertaler voor de Amerikanen, die onderdeel waren van de samenwerkende westerse coalitie in Afghanistan. In de ogen van de Taliban, die het huidige Afghaanse regime vormen, heeft hij gewerkt voor hun vijand. Om deze reden heeft referent in 2015 Afghanistan verlaten en is hij naar Nederland gekomen. Omdat het handelen van referent ook zijn familie werd aangerekend, is de familie van referent, inclusief zijn vrouw en kind, in 2015 naar Pakistan gevlucht. [persoon 1] heeft op 4 april 2017 een verblijfsvergunning asiel gekregen. Hij heeft een nareisaanvraag ingediend voor zijn vrouw en kind. Die zijn vervolgens in 2018 naar Nederland gekomen. In 2021 heeft referent de onderhavige aanvragen ingediend om ook de rest van zijn familie naar Nederland te laten komen.
4.1.
Ten tijde van de aanvragen waren de familieleden van referent onder te verdelen in drie relevante categorieën: zijn ouders [eiser 1] en [eiseres] , zijn drie meerderjarige broers [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 5] , en zijn minderjarige zussen en broer [eiseres 2] , [eiseres 3] en [eiser 8] .
Besluitvorming
5. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Volgens verweerder heeft referent de familierechtelijke relatie met eisers onvoldoende aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt. Eisers hebben namelijk geen originele documenten overgelegd ter onderbouwing van hun familierechtelijke relatie met referent. Zij hebben hiervoor echter een goede verklaring gegeven en een duidelijke inspanning geleverd om hun aanvraag te onderbouwen met stukken, zodat verweerder eisers het voordeel van de twijfel gunt. Dit houdt in dat er nader onderzoek zou moeten plaatsvinden om de familierechtelijke relatie vast te stellen. Verweerder komt daar echter niet aan toe, omdat volgens hem niet is voldaan aan de overige voorwaarden voor toelating. Volgens verweerder is namelijk geen sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM [1] tussen referent, zijn ouders, broers en zussen.
5.1.
Daartoe overweegt verweerder dat niet is gebleken dat er een meer dan gebruikelijk afhankelijkheid bestaat tussen referent en zijn ouders dan wel tussen referent en zijn meerderjarige broers. Hij heeft weliswaar jaren met zijn ouders en broers samengewoond, maar die samenwoning is in Afghanistan cultureel niet ongebruikelijk en sinds het vertrek van referent ook al meerdere jaren verbroken. Ook de financiële steun van referent is onvoldoende om meer dan gebruikelijke afhankelijkheid aan te nemen, omdat deze steun op afstand kan worden voortgezet en omdat een van zijn meerderjarige broers ook werkt. De stress van zijn ouders en meerderjarige broers en de schuldgevoelens van referent leiden niet tot zeer grote emotionele afhankelijkheid.
5.2.
Ten aanzien van referent en zijn minderjarige zussen en broer ontbreken hechte persoonlijke banden. Het is niet gebleken dat referent een vaderrol op zich heeft genomen, want de ouders zijn ook altijd aanwezig geweest. De financiële ondersteuning en het telefonisch contact op afstand zijn onvoldoende.
5.3.
Tot slot is verweerder niet gebleken dat tussen de ouders en de zoon van referent sprake is van hechte persoonlijke banden. [persoon 2] heeft weliswaar enkele jaren met zijn grootouders samen gewoond, maar toen was ook zijn moeder aanwezig. Hij was vier of vijf toen hij met zijn moeder naar Nederland vertrok en daarna zijn nog drie jaar voorbijgegaan tot de onderhavige aanvraag.
Toetsingskader
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Het is vaste rechtspraak van het EHRM [2] dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van Pro het EVRM beschermenswaardig familie- of gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen en tussen meerderjarige broers en zussen, als sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘further elements of dependency, involving more than normal emotional ties’)
6.1.
Uit vaste rechtspraak [3] volgt ook dat de vraag of sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen, waarbij sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. [4] Het EHRM heeft in verschillende arresten factoren aangewezen die relevant kunnen zijn bij de vraag of sprake is van deze meer dan gebruikelijke emotionele band. Van belang is of de familieleden hebben samengewoond [5] , de mate van financiële afhankelijkheid [6] , de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden [7] , de banden met het land van herkomst [8] en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin [9] .
6.2.
De rechtbank toetst de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke emotionele band – evenals het EHRM – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 november 2025 [10] en maakt deze overwegingen de hare.
Hechte persoonlijke banden
7. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat familie- of gezinsleven tussen minderjarigen en hun meerderjarige broers of zussen of tussen grootouders en hun kleinkinderen wordt aangenomen als sprake is van hechte persoonlijke banden. [11] De vraag of sprake is van ‘hechte persoonlijke banden’ is een kwestie van feitelijke aard. [12] Of sprake is van hechte persoonlijke banden moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden is bijvoorbeeld samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omgang ontstijgt, kan dit duiden op hechte persoonlijke banden.
7.1.
Ten aanzien van grootouders en kinderen heeft het EHRM overwogen dat, hoewel het samenwonen van een grootouder en een kleinkind geen vereiste is voor het aannemen van familie- en gezinsleven, aangezien frequent contact ook voldoende kan zijn voor het ontstaan van hechte persoonlijke banden, deze banden doorgaans worden aangenomen indien een grootouder en een kleinkind een tijd hebben samengewoond. [13]
Het oordeel van de rechtbank
Familierechtelijke relatie
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent, omdat – ook al zou er een familierechtelijke relatie bestaan – er volgens hem geen sprake is van beschermenswaardig familieleven. In deze zaak ligt daarom ter beoordeling voor of sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eisers en referent en tussen de ouders van referent en [persoon 2] . Daarbij gaat de rechtbank er vooralsnog van uit dat er sprake is van een familierechtelijke relatie tussen de betrokkenen.
Familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
9. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat wel sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen eisers en referent en tussen de ouders van referent en [persoon 2] . Zo heeft verweerder ten onrechte minder belang toegekend aan de samenwoning en te veel belang toegekend aan de periode dat de samenwoning is verbroken. De samenwoning is immers verbroken omdat referent in 2015 moest vluchten en het kan hem niet worden tegengeworpen dat hij pas in 2021 de aanvragen voor eisers heeft ingediend. Verder heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eisers niet financieel afhankelijk zijn van referent en dat deze hulp op afstand kan worden voortgezet. Ook heeft verweerder miskend dat er sprake is van emotionele afhankelijkheid tussen eisers en referent. Zij lijden onder de voortdurende angst dat eisers door de Pakistaanse autoriteiten naar Afghanistan worden teruggestuurd en het feit dat eisers op geen enkele manier hun leven kunnen opbouwen. De huidige situatie is het gevolg van de beslissing van referent om voor de Amerikanen te gaan werken, waardoor de hele familie nu in gevaar is. [persoon 1] heeft last van schuldgevoelens en voelt zich verantwoordelijk. Eisers hebben al hun hoop gevestigd op referent om in veiligheid te komen.
10. Met betrekking tot de samenwoning tussen eisers en referent blijken de volgende feiten uit het dossier. Eisers en referent hebben tot aan de vlucht van referent in 2015 hun hele leven samengewoond als kerngezin. Deze samenwoning is onvrijwillig verbroken door de problemen die zijn ontstaan vanwege het werk van referent als gevolg waarvan referent is gevlucht. Nadat referent naar Nederland was gevlucht, heeft de achtergebleven familie de samenwoning voortgezet. Deze samenwoning vindt sindsdien echter niet meer plaats in de normale situatie in Afghanistan, maar in Pakistan, waar eisers illegaal, en dus in onzekere omstandigheden verblijven.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat de lange onderbreking van de samenwoning na het vertrek van referent in 2015 niet aan eisers kan worden tegengeworpen. Uit het aanmeldgehoor en het nader gehoor is gebleken dat referent onmiddellijk zijn zorgen heeft geuit over de situatie van zijn familie en heeft gevraagd hoe hij hen naar Nederland zou kunnen halen. De gehoormedewerker heeft referent toen het advies gegeven te wachten totdat hij zijn eigen verblijfsvergunning had. Nadat referent deze in 2017 had gekregen is hij naar VWN [14] gegaan en heeft hij daar hulp gevraagd bij het doen van aanvragen voor zijn vrouw en kind en voor de rest van zijn familie. De eerste aanvraag die referent voor eisers wilde indienen is kwijtgeraakt, waarschijnlijk bij VWN. De tweede aanvraag die referent in 2019 wilde indienen is door verschillende omstandigheden bij VWN, zoals vertraging door corona-maatregelen en overdracht van behandelaar naar behandelaar, uiteindelijk pas in de loop van 2021 door VWN opgepakt en ingediend. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet te wijten zijn aan referent en dat hij zich voldoende heeft ingespannen om zo spoedig mogelijk een aanvraag voor zijn familie in te dienen. Daarom gaat de rechtbank ervan uit dat de samenwoning niet alleen onvrijwillig is verbroken, maar dat die verbreking ook onvrijwillig lang heeft geduurd.
10.2.
Verder is van belang dat referent eisers financieel steunt vanuit Nederland. Omdat eisers illegaal in Pakistan verblijven, kunnen zij niet werken of naar school. De oudste broer van referent verricht wat zwart werk om wat bij te verdienen, maar kan niet meer dan dat doen. Daarmee zijn eisers nagenoeg volledig financieel afhankelijk van referent om zich staande te kunnen houden in Pakistan. Dit is een factor die bijdraagt aan de band tussen eisers en referent. Dat de financiële ondersteuning mogelijk ook op afstand plaats kan vinden, doet daar niet aan af. Dit zou eventueel een rol kunnen spelen bij de belangenafweging maar zegt niets over de hechtheid van de band tussen eisers en referent.
10.3.
Het feit dat eisers niet meer in normale omstandigheden in Afghanistan wonen, maar in de illegaliteit in Pakistan verblijven, is ook van belang voor de emotionele afhankelijkheid tussen eisers en referent. Deze situatie waarin eisers zich bevinden is het gevolg van de werkzaamheden van referent voor de Amerikanen. Eisers zijn dus door toedoen van referent in deze omstandigheden terecht gekomen, wat heeft geleid tot een grote afhankelijkheid van eisers ten opzichte van referent en een schuldgevoel van referent ten opzichte van eisers, wat hij vanaf het eerste gehoor in Nederland ook heeft geuit. Eisers zijn daarnaast bang om teruggestuurd te worden naar Afghanistan en in de problemen te komen met de Taliban. Temeer nu de vader en oudere broers van referent in Afghanistan ook in het verleden al te maken hebben gehad met de Taliban. [persoon 1] onderhoudt meerdere keren per week contact met eisers door met hen te videobellen. Dit alles maakt dat eisers ook emotioneel afhankelijk zijn van referent.
10.4.
Al deze omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders en meerderjarige broers en dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn minderjarige zussen en broer. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eisers en referent.
10.5.
Ook tussen [persoon 2] en de ouders van referent is naar het oordeel van de rechtbank sprake van hechte persoonlijke banden en daarmee van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarvoor is van belang dat [persoon 2] vanaf zijn geboorte totdat hij met zijn moeder in 2018 vanuit Pakistan naar Nederland kwam, heeft samengewoond met zijn grootouders, de ouders van referent. Omdat referent vanaf 2015 tot 2018 afwezig geweest in het leven van zijn zoon [persoon 2] , hebben de ouders van referent in die periode deels de ouderrol op zich genomen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is dan ook gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheidsvereiste [15] en het motiveringsvereiste [16] .
De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat geoordeeld is dat sprake is van familieleven, zal verweerder in het nieuw te nemen besluit zich dienen uit te laten over de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent en/of een belangenafweging dienen te maken. Daarbij geeft de rechtbank verweerder mee dat, gelet op artikel 3 van Pro het IVRK [17] , het belang van het kind als eerste overweging dient te worden betrokken in de besluitvorming. Ook geeft de rechtbank verweerder in overweging mee om [persoon 2] te horen, gelet op artikel 12 van Pro het IVRK. Dat is tot op heden nog niet gebeurd. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van tien weken.
11.1.
De rechtbank veroordeelt verweerder in het door eisers betaalde griffierecht en de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 augustus 2024;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, en mr. H.J. Schaberg en mr. C.A.R. Bleijendaal, leden, in aanwezigheid van mr. [naam 2] , griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 10 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1603, r.o. 2.1.
4.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, [naam 3] en [naam 2] tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
5.Arrest van 19 november 2014, [naam 4] tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
6.Arrest van 19 november 2014, [naam 4] tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
7.Arrest van 10 oktober 1994, [naam 1] tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
8.Beslissing van 28 juni 1995, [naam 5] tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.
9.Arrest van 7 november 2000, [naam 6] en [naam 7] tegen Nederland, app.no. 31519/96.
10.ECLI:NL:RBDHA:2025:22362, r.o. 9 tot en met 9.5.
11.Zie bijvoorbeeld (een gedeelte van) paragraaf 48 van het arrest van het EHRM van 26 november 2013, [naam 8] tegen Zwitserland van 26 november 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:1126JUD000178508: “
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, rechtsoverweging 2.
13.Zie bijvoorbeeld paragraaf 108 van het arrest van het EHRM van 25 november 2014, [naam 9] tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:1125DEC001014013.
14.VluchtelingenWerk Nederland.
15.Zoals bedoeld in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
16.Zoals bedoeld in artikel 7:12 van Pro de Awb.
17.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.