4.1.Eiser heeft ten aanzien van bestreden besluit 2 aangegeven bij het college niet te willen worden gehoord, omdat er een procedure bij de rechtbank loopt. Hij staat sinds 15 mei 2018 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) en toen hij de Tozo ontving kreeg hij geen andere uitkering. Volgens eiser had van de brutering moeten worden afgezien nu het niet aan hem te wijten is dat er een schuld is ontstaan, omdat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan.
Wat oordeelt de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat ter beoordeling enkel bestreden besluit 2 voor ligt. De intrekking en terugvordering staat namelijk in rechte vast, omdat eiser tegen dit besluit geen bezwaar heeft gemaakt. Wat eiser hierover heeft aangevoerd laat de rechtbank daarom verder onbesproken.
6. Het college kan op grond van artikel 58, vijfde lid, van de Participatiewet (Pw) de bijstand bruto, dus inclusief loonbelasting en premies volksverzekering, terugvorderen, omdat de bijstandverlenende instantie door tijdsverloop de al afgedragen loonbelasting en premies volksverzekering niet meer met de Belastingdienst kan verrekenen.
7. Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat de bijstandverlenende instantie de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de Pw neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering niet mag gebruiken als een vordering is ontstaan mede of geheel door toedoen van de bijstandverlenende instantie én de betrokkene niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Bij het gebruikmaken van de bevoegdheid tot brutering is immers van belang hoe de vordering is ontstaan. Dat schending van de inlichtingenverplichting met zich meebrengt dat de vordering niet buiten toedoen van de betrokkene is ontstaan, betekent niet dat aan andere omstandigheden, waaronder de handelwijze van de bijstandverlenende instantie, geen betekenis toekomt.
8. Blijkens het dossier en het besluit van 19 mei 2022 behoort eiser niet tot de kring der rechthebbenden van de Tozo en heeft hij de inlichtingenplicht geschonden. Dit besluit van het college staat, zoals reeds eerder overwogen, in rechte vast.
9. Voor het oordeel dat de vordering mede of geheel is ontstaan door toedoen van de bijstandverlenende instantie ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Het dossier biedt geen grond voor het oordeel dat er sprake is van omstandigheden waaruit een verwijtbare handelswijze door het college blijkt. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling of de betrokkene niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan.
10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.