Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9363

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbWet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen afwijzing meerzorg Wlz niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Eiseres, wettelijk vertegenwoordiger van een budgethouder met een verstandelijke beperking, diende een aanvraag voor meerzorg in op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Verweerder wees de aanvraag af en verklaarde het daaropvolgende bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Eiseres stelde dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege communicatieproblemen en vakantie van de casemanager.

De rechtbank oordeelde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat eiseres niet tijdig bezwaar had ingediend en geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. Het wachten op telefonisch contact met de casemanager was een eigen keuze en er was geen toezegging van verweerder dat het bezwaar buiten de termijn in behandeling zou worden genomen.

De rechtbank wees het beroep af, bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en veroordeelde eiseres tot het betalen van griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige bezwaarindiening en dat communicatieproblemen niet zonder meer leiden tot verschoonbaarheid.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de meerzorgaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/377

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van[naam 1] (de budgethouder), uit [woonplaats] , eiseres

en

het Zorgkantoor Zorg en Zekerheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Roodenburg).

Inleiding

1. Bij primair besluit van 6 augustus 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 12 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 heeft verweerder de eerdere beslissing op bezwaar vervangen en het bezwaar van eiseres opnieuw kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door de heer [naam 2] , en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank heeft aanleiding gezien om verweerder te vragen om een reactie op de stukken die eiseres heeft overgelegd op 11 december 2025, na sluiting van het onderzoek ter zitting. Verweerder heeft op 22 januari 2026 op deze stukken gereageerd.
1.4.
Op 29 januari 2026 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld aan te geven of zij een nadere zitting noodzakelijk achten. Eiseres heeft niet laten weten dat zij wenst dat een nadere zitting gehouden wordt, en verweerder heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 5 maart 2026.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. [naam 1] heeft een verstandelijke beperking, autisme en het syndroom van Gilles de la Tourette. Hij ontvangt zorg op grond van de Wlz. Eiseres is zijn moeder en tevens de mentor en pgb-beheerder. Op 19 januari 2024 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor meerzorg. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat eiseres de noodzaak voor meerzorg niet heeft onderbouwd.
2.1.
Eiseres heeft op 2 oktober 2024 per mail laten weten bezwaar in te stellen tegen het primaire besluit. Op 4 oktober 2024 heeft verweerder de ontvangst van de mail bevestigd en verzocht om een ondertekend bezwaarschrift. Bijgevoegd was een antwoordformulier voor een hoorzitting. Op 18 oktober 2024 heeft verweerder het antwoordformulier retour ontvangen met daarbij een (ongedateerd) bezwaarschrift van eiseres. Op 18 oktober 2024 heeft verweerder de ontvangst bevestigd. In deze brief heeft verweerder laten weten dat het bezwaar niet tijdig was ingediend en verzocht om binnen twee weken een reden te geven voor het late indienen. Hierop heeft verweerder geen reactie ontvangen. Met de beslissing op bezwaar van 12 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Na telefonisch contact met eiseres heeft verweerder eiseres nogmaals de gelegenheid gegeven om binnen twee weken toe te lichten waarom buiten de bezwaartermijn bezwaar is in gesteld. Eiseres heeft op 20 november 2024 laten weten de brief van 18 oktober 2024 niet te hebben ontvangen en diverse redenen genoemd waarom de termijnoverschrijding haar niet verweten zou mogen worden.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft geen contactmomenten of -notities gevonden van op of rond 27 augustus en 10 september 2024. Er is een telefoonregistratie gevonden van 30 september 2024, waarbij een terugbelnotitie is genoteerd. Op 1 oktober en 2 oktober 2024 heeft de casemanager gebeld met eiseres, maar van een eerder inhoudelijk contact is niet gebleken. Gerekend vanaf 6 augustus 2024 zou het bezwaarschrift uiterlijk 17 september 2024 moeten zijn ontvangen. Zelfs als verweerder de mail van 2 oktober 2024 als een pro-forma bezwaarschrift zou aanmerken, is het nog buiten de bezwaartermijn ontvangen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door eiseres genoemde redenen niet maken dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtsbeschermingsclausule in het primaire besluit geeft aan dat er binnen zes weken bezwaar moet worden aangetekend. Er staat weliswaar ook in het primaire besluit vermeld dat er ook telefonisch contact kan worden gezocht met verweerder, maar niet dat dit de termijn van zes weken opschort. De aanvraag voor meerzorg kwam van eiseres en niet via zorgaanbieder ASZV. ASZV heeft gemaild naar verweerder op 29 augustus 2024, maar op 9 september 2024 is ASZV telefonisch medegedeeld dat de informatie over de afwijzing van de aanvraag om meerzorg niet gedeeld kon worden met de zorgaanbieder, maar alleen met eiseres.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat enkel ter beoordeling ligt of het bezwaarschrift van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres betoogt dat de rechtsmiddelenclausule van verweerder de ontvanger van het besluit oproept om eerst contact op te nemen met het zorgkantoor. Dit heeft zij ook gedaan. Er is contact opgenomen met het zorgkantoor en gevraagd naar de casemanager op 10 september, 23 september en 1 oktober 2024. De casemanager was echter met vakantie, zodat het tot 1 oktober 2024 heeft geduurd voordat eiseres werd teruggebeld. Pas toen is uitgelegd dat eiseres een bezwaarschrift moest indienen en een mail moest sturen met de reden van het te laat indienen van het bezwaar. Eiseres meent dat het de verantwoordelijkheid is van verweerder om te zorgen voor vervanging tijdens vakanties van haar medewerkers voor de continuïteit en voortgang van zaken. Volgens eiseres had verweerder makkelijk de termijn kunnen verlengen, verweerder heeft zelf ook lang gedaan over het beslissen op de aanvraag voor meerzorg. Het heeft zes maanden geduurd voordat het primaire besluit was genomen. In die zes maanden is meermaals om aanvullingen gevraagd aan ASZV. Eiseres heeft hieruit opgemaakt dat het contact verliep tussen ASZV en de casemanagers. Eiseres vindt het onbegrijpelijk dat het zorgkantoor in dit soort ingewikkelde zaken niet betrokken mocht worden bij het bezwaar. Inhoudelijk is eiseres van mening dat de aanvraag waarsczijnlijk is afgewezen door een misverstand.

Wat oordeelt de rechtbank?

5. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat – aangezien er twee beslissingen op bezwaar voorliggen – het besluit van 18 december 2024 moet worden aangemerkt als een vervanging van het besluit van 12 november 2024. Het besluit van 12 november 2024 is ingetrokken om eiseres de kans te geven om uit te leggen waarom zij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het besluit is gelijkluidend aan het eerdere besluit, qua uitkomst en motivering. De rechtbank volgt verweerder hierin.
6. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar van eiseres te laat is ingediend. De vraag die beantwoord dient te worden is of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
7. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is, laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [1] Als is vastgesteld dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, moet het bezwaar niet-ontvankelijk worden verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk. Dat betekent onder meer dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling niet relevant zijn. [2]
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor eiseres niet eerder bezwaar heeft kunnen maken. Anders dan eiseres stelt, staat in het primaire besluit niet dat eerst na contact met de casemanager bezwaar mag worden gemaakt. Wel is in dat besluit een passage opgenomen, waarin de ontvanger van het besluit wordt aangeraden om eerst telefonisch contact op te nemen met verweerder om te voorkomen dat op grond van een misverstand onnodig bezwaar wordt ingesteld. Verder staat in het primaire besluit dat het bezwaarschrift ondertekend moet zijn en binnen zes weken moet worden ingediend.
7.2.
Eiseres heeft pas op 2 oktober 2024 en dus ruim na de bezwaartermijn aangegeven bezwaar te willen maken. Zij heeft niets aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat zij niet in staat was om vast bezwaar in te stellen, terwijl zij in afwachting was van het contact met de casemanager. Het wachten op dat telefonisch contact was een eigen keuze.
7.3.
In het dossier of de later door eiseres toegestuurde stukken zijn geen aanwijzingen gevonden dat verweerder eiseres op enig moment heeft toegezegd dat eiseres buiten de bezwaartermijn inhoudelijk bezwaar kon indienen of dat dit beoordeeld zou worden. Zoals verweerder ook in zijn reactie van 22 januari 2026 heeft gesteld is haar enkel (nogmaals) de mogelijkheid geboden toe te lichten waarom te laat bezwaar is gemaakt.
7.4.
Ook de onduidelijkheid bij eiseres over de mogelijkheid de communicatie en dus ook het bezwaar via de zorgverlener te laten verlopen is geen reden waarom de overschrijding van de bezwaartermijn niet aan haar kan worden toegerekend. Het stond eiseres vrij om zich hierover (juridisch) te laten voorlichten. Volgens vaste rechtspraak komt het al dan niet inwinnen van (juridisch) advies voor eigen rekening en risico. [3]
8. De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres in redelijkheid niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
9. Het beroep slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding voor het vergoeden van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
mr.E.P.A. Stok, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
2.Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1663.