Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9362

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
26/19
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens hoofdverblijf niet op uitkeringsadres

Verzoeker ontving sinds 2005 een bijstandsuitkering en het college heeft deze ingetrokken per 17 december 2025 na een onderzoek naar het hoofdverblijf van verzoeker. Dit onderzoek bestond uit een hoor- en wederhoorgesprek, een huisbezoek en analyse van bankafschriften. Het college concludeerde dat het zwaartepunt van verzoekers persoonlijk leven niet op het uitkeringsadres ligt.

Verzoeker stelde dat het huisbezoek onrechtmatig was en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar zijn hoofdverblijf, mede vanwege zijn mantelzorgtaken bij zijn ex-partner. De voorzieningenrechter oordeelde dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek, dat dit proportioneel en subsidiar was, en dat het huisbezoek op informed consent berustte.

De rechter vond dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht, waarbij bankafschriften, getuigenverklaringen en bevindingen tijdens het huisbezoek samen een toereikende grondslag vormden om het hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres te plaatsen. Verzoeker had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ondanks het schenden van de inlichtingenplicht recht had op bijstand.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het verzoek om een voorlopige voorziening moest worden afgewezen en dat het besluit tot intrekking van de bijstand vermoedelijk stand zal houden. Er was wel sprake van een spoedeisend belang, maar dit woog niet op tegen de belangen van het college. De griffierechtvrijstelling werd toegekend, maar geen proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen omdat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/19

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. B.F. van Es),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de bijstandsuitkering van verzoeker. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter wat betekent dat de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet is gebonden aan dat oordeel.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 22 december 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker ingetrokken met ingang van 17 december 2025. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft daarbij verzocht om een vrijstelling van de verplichting tot betalen van het griffierecht.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verzoeker ontving sinds 4 april 2005 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (Pw). Naar aanleiding van een interne melding vanuit de Haagse Pand Brigade op 12 mei 2025 is het college een onderzoek gestart naar het recht op bijstand van verzoeker. In dit kader heeft op
17 december 2025 een hoor- en wederhoorgesprek plaatsgevonden. In aansluiting daarop is er een huisbezoek afgelegd op het [uitkeringsadres]. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in de (eind)rapportage van 22 december 2025.
3.1.
Het college heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Aan de intrekking van de bijstandsuitkering heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek, het hoor- en wederhoorgesprek en het huisbezoek is gebleken dat het zwaartepunt van verzoekers persoonlijk leven zich niet op het uitkeringsadres bevindt. Verzoeker heeft daarom zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres. Verzoeker heeft hierover onvoldoende inlichtingen verstrekt en hierdoor is het recht op bijstand niet langer vast te stellen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vrijstelling van de verplichting tot betaling van griffierecht toe, omdat verzoeker voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet over minimaal een netto-inkomen van 95% van de voor een alleenstaande geldende bijstandsnorm beschikt.
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening wordt alleen getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op het ingediende bezwaar- of beroepschrift.
5.1.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat sprake is van een acute financiële noodsituatie, nu verzoeker op dit moment geen bijstand ontvangt en vermoedelijk geen andere bron van inkomsten heeft. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat er aanleiding bestaat om uit te gaan van een spoedeisend belang.
Rechtmatigheid van het huisbezoek
6. Verzoeker voert aan dat het huisbezoek onrechtmatig was. Er bestond namelijk geen redelijke grond voor het huisbezoek. Ook is er niet voldaan aan het vereiste van ‘informed consent’. Daarnaast voldoet het onderzoeksmiddel niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Omdat het huisbezoek onrechtmatig was, mogen de bevindingen niet aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd.
6.1.
Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bestuursorgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. Aldus dient bij de beantwoording van de vraag of een inbreuk op het huisrecht is gemaakt in de zin van artikel 8, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), tevens te worden onderzocht of het noodzakelijk is om een huisbezoek als controlemiddel in te zetten en of dat controlemiddel proportioneel is. Bij dat laatste is vooral van belang de vraag of is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, in die zin dat aan het bestuursorgaan geen andere passende, minder ingrijpende middelen ter beschikking staan om de rechtmatigheid van de uitkering te onderzoeken. Beide elementen vormen onderdeel van de beantwoording van de vraag of een redelijke grond bestond voor het huisbezoek en het bestuursorgaan zal zich dan ook van beide elementen rekenschap moeten geven voorafgaand aan het inzetten van dit verstrekkende controlemiddel. [1]
6.2.
Blijkens de rapportage was de rapporteur (de consulent Handhaving en Fraude, toezichthouder van de dienst SZW) na afloop van het hoor- en wederhoorgesprek van mening dat er een redelijke grond bestond om in dit stadium een huisbezoek af te leggen. Dit was gebaseerd op een analyse van de bankafschriften over de periode van 1 januari 2025 tot en met 28 augustus 2025, waaruit bleek dat er zelden pintransacties waren in de omgeving van het uitkeringsadres, de verklaring van een (mede)bewoner van het uitkeringsadres dat verzoeker daar nooit heeft gewoond, en de verklaringen van verzoeker zelf dat hij veelvuldig bij zijn ex-partner verblijft omdat hij mantelzorger is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op deze feiten en omstandigheden, redelijkerwijs getwijfeld kon worden aan de juistheid of volledigheid van de door verzoeker verstrekte gegevens over zijn woonsituatie. Er bestond daarom een redelijke grond voor het huisbezoek. De rapporteur heeft de mogelijkheden onderzocht om de gewenste informatie op een voor verzoeker minder ingrijpende manier te verkrijgen. Omdat een huisbezoek de enige mogelijkheid is om duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke woon- en leefsituatie van verzoeker, is hiervoor gekozen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college met een ander, lichter middel had kunnen volstaan. De voorzieningenrechter ziet daarom geen reden voor het oordeel dat de inzet van het huisbezoek als onderzoeksmiddel in strijd was met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat daarmee de inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van verzoeker gerechtvaardigd was.
6.3.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat er niet is voldaan aan het vereiste van ‘informed consent’. Als bijlage bij de rapportage is het formulier ‘Informed consent’ opgenomen, waarin staat dat verzoeker voorafgaand aan het huisbezoek is geïnformeerd over de aanleiding voor het huisbezoek. Ook is hij gewezen op de consequenties van een mogelijke weigering om mee te werken. Verzoeker heeft vervolgens toestemming gegeven voor het huisbezoek en om 12.01 uur het formulier ondertekend. Gelet hierop is vast komen te staan dat het huisbezoek op ‘informed consent’ berust.
6.4.
Van onrechtmatig verkregen bewijs is daarom geen sprake. Dit betekent dat het college de onderzoeksbevindingen uit huisbezoek voor de besluitvorming mocht gebruiken.
Het hoofdverblijf
7. Verzoeker voert aan dat het college geen deugdelijk en zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de vraag waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Omdat verzoeker mantelzorg verleent aan zijn ernstig zieke ex-partner is hij doordeweeks, op wisselende tijdstippen tussen 6 uur ’s ochtends en 5 uur ’s avonds, in haar woning op de [adres] in [plaats]. Hij draagt daarnaast ook bij aan de zorg voor hun twee kinderen. Omdat de zoon van verzoeker in mei 2025 een fatbike-ongeluk heeft gehad was verzoeker in de periode van mei 2025 tot en met november 2025 intensiever aanwezig bij zijn ex-partner. Dit heeft hij reeds in mei 2025 gemeld bij het college. Het zwaartepunt van het nachtverblijf van verzoeker ligt wel op het uitkeringsadres, hij slaapt daar namelijk
4 nachten per week.
7.1.
Een besluit tot intrekking van het recht op bijstand is een belastend besluit, wat betekent dat het aan het college is om de nodige kennis over de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Het college moet bewijzen dat aan de voorwaarden voor beëindiging en intrekking van verzoekers recht op bijstand is voldaan, in dit geval dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.
7.2.
Verzoeker is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woon- en verblijfsituatie te geven aan het college, want die gegevens zijn van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand. Iemand heeft zijn woonadres daar waar hij zijn hoofdverblijf heeft. Het hoofdverblijf ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. De vraag waar iemand woont en zijn hoofdverblijf heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.
7.3.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college deugdelijk en zorgvuldig onderzoek verricht naar het hoofdverblijf van verzoeker. Het college heeft uit de bevindingen van het onderzoek kunnen afleiden dat verzoeker zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres heeft. Het college heeft zijn conclusie onder andere gebaseerd op een analyse van de bankafschriften over de periode van 1 januari 2025 tot en met 17 december 2025, op verklaringen van getuigen en van verzoeker zelf, alsmede op de bevindingen tijdens het huisbezoek.
7.4.
Uit de bankafschriften over de periode van 1 januari 2025 tot en met 28 augustus 2025 blijkt dat verzoeker in de maanden januari 2025, februari 2025 en maart 2025 geen transacties heeft verricht in de omgeving van het uitkeringsadres. Op 4 april 2025 heeft verzoeker voor het eerst in de nabije omgeving van het uitkeringsadres gepind. Hierna is de eerstvolgende pintransactie in de nabije omgeving van het uitkeringsadres op 28 mei 2025. Uit de bankafschriften over de periode van 29 augustus 2025 tot en met 17 december 2025 blijkt dat slechts op vier verschillende dagen pintransacties in de nabije omgeving van het uitkeringsadres zijn gedaan. Daar komt bij dat op de bankafschriften niet kan worden waargenomen dat verzoeker, zoals hij zelf heeft verklaard, € 350,- per maand aan huur zou betalen.
7.5.
Op 26 november 2025 heeft een (mede)bewoner van het uitkeringsadres als getuige verklaard dat zij sinds 2022/2023 met haar moeder en broer op het uitkeringsadres woont. Volgens de getuige woont verzoeker niet op het uitkeringsadres en heeft hij daar ook nooit geslapen. Hij kwam in het begin wel zijn post daar ophalen. Er staan ook geen spullen van verzoeker in de woning. Op 17 december 2025 heeft verzoeker tijdens het hoor- en wederhoor gesprek verklaard dat hij samen met de Spaanse familie op het uitkeringsadres woont. Hij heeft daar een eigen slaapkamer, waar ook zijn toilet- en verzorgingsspullen liggen. Verzoeker heeft verklaard nooit op het uitkeringsadres te eten. De afspraak is dat hij € 450,- per maand aan huur betaalt. Soms kan hij dit niet betalen en dan hoeft hij maar
€ 350,- te betalen. De huur betaalt hij contant of via de bank. Verzoeker heeft ook verklaard dat hij mantelzorger van zijn ex-partner is en dat hij daarom zeven dagen per week bij haar is. Hij vertrekt ’s ochtends voor het ontbijt en gaat ’s avonds rond 9 uur weer naar het uitkeringsadres. Verzoeker doet boodschappen in de buurt van de woning van zijn ex-partner. Hij is in bezit van een sleutel en er liggen ook persoonlijke spullen van hem in de woning van zijn ex-partner.
7.6.
Tijdens het huisbezoek op het uitkeringsadres op 17 december 2025 zijn er in de gedeelde woonkamer/keuken, behalve een fles cola, totaal geen spullen van verzoeker aangetroffen. Verzoeker heeft verklaard dat al zijn spullen in zijn slaapkamer liggen. Zijn kleding zou hij bewaren in tassen onder een tafel, maar de rapporteur heeft niet kunnen controleren of deze kleding daadwerkelijk van verzoeker was. In de slaapkamer lagen enkele brieven op naam van verzoeker en er werden verzorgingsproducten aangetroffen. Verzoeker had verklaard dat al zijn spullen waren opgeborgen in de schuur. Eenmaal bij de schuur aangekomen heeft verzoeker alleen een broek en een tas getoond die aan hem zouden toebehoren.
7.7.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bieden de hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat verzoeker niet langer zijn hoofdverblijf op het door hem opgegeven adres heeft. Door het college hier niet over te informeren, heeft verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Verzoeker is in de gelegenheid gesteld om openheid van zaken te geven. Hij is er echter niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat hij ondanks het schenden van de inlichtingenverplichting recht heeft op bijstand. De toelichting van verzoeker en de overgelegde bewijsstukken zijn hiervoor onvoldoende. Het college heeft daarom het recht op bijstand kunnen intrekken met ingang van 17 december 2025. Dit betekent dat het besluit in bezwaar vermoedelijk stand zal houden. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1376.