Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9322

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL24.31604
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 4:84 AwbArt. 29 VwArt. 8 EVRMVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens ontbreken bijkomende elementen van afhankelijkheid

Eiseres, een staatloze Palestijnse uit Syrië, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland bij haar vader, de referent, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgden. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde eerdere uitspraken en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen met inachtneming van de hoorplicht.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit van 12 juli 2024, genomen door de minister van Asiel en Migratie, ondanks een formeel onbevoegd genomen besluit door de staatssecretaris, kan worden gehandhaafd omdat eiseres niet is benadeeld. De kern van het geschil betreft de vraag of er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar vader, zoals vereist voor nareis op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres niet voldoet aan deze eis. Er is geen bewijs van financiële, emotionele of zorgafhankelijkheid die de normale ouder-kindrelatie overstijgt. Ook de kwetsbare positie van alleenstaande vrouwen en Palestijnen in Syrië leidt niet tot een andere beoordeling. De rechtbank wijst het beroep af, veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten en bevestigt dat het besluit in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.31604

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres,

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een mvv [1] in het kader van nareis. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van deze aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 25 januari 2021 afgewezen. Met het besluit van 21 september 2021 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 mei 2022 [2] is het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 september 2021 vernietigd, maar zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.
2.2.
De Afdeling [3] heeft bij uitspraak van 14 februari 2024 [4] het hoger beroep van eiseres gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd – voor zover zij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 september 2021 in stand blijven – en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres moet nemen.
2.3.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 juli 2024 opnieuw het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam 1] (hierna: referent), de heer [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder .

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eiseres stelt dat zij een staatloze Palestijnse, afkomstig uit Syrië, is en is geboren op [geboortedatum] 1987. Zij wenst in Nederland te verblijven bij referent. Referent is de vader van eiseres en hij heeft sinds 21 mei 2020 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 29 juni 2020 heeft referent ten behoeve van eiseres en zijn echtgenote (de moeder van eiseres) mvv-aanvragen ingediend. Aan de echtgenote van referent is inmiddels een mvv verleend en zij woont momenteel bij referent in Nederland. Eiseres verblijft op dit moment in de VAE [5] .
Wat ligt er in deze procedure voor ter beoordeling van de rechtbank?
4. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 4.1. van de eerdergenoemde uitspraak van 14 februari 2024 het volgende overwogen:

“De vreemdeling klaagt in de derde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 21 september 2021 in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft als uitgangspunt genomen dat de staatssecretaris de hoorplicht heeft geschonden. Het horen van de vreemdeling dient ertoe dat de staatssecretaris bij het besluit op het bezwaar een volledige bestuurlijke heroverweging van zijn afwijzing kan maken (zie ook Kamerstukken 11 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 144-145). Met de overweging dat de staatssecretaris in beroep een aanvullende, deugdelijke motivering heeft gegeven, heeft de rechtbank geen recht gedaan aan dit specifieke, op de bestuurlijke heroverweging gerichte belang van de hoorplicht. Dit geldt ook voor de concrete en specifiek op haar situatie betrekking hebbende feiten en omstandigheden die de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd en die zij in de eerste en tweede grief herhaalt. De rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat ondanks het niet horen in bezwaar de rechtsgevolgen van het besluit van 21 september 2021 in stand kunnen blijven.”

4.1.
Vervolgens heeft de Afdeling in rechtsoverweging 5 het volgende geconcludeerd:
“Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover zij heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 september 2021 in stand blijven. De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar, waarbij hij haar moet horen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.”
4.2.
De rechtbank begrijpt de uitspraak van de Afdeling – gelet op de hierboven genoemde rechtsoverwegingen – zo dat verweerder, voordat hij een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres neemt, alsnog aan zijn hoorplicht moet voldoen en tijdens het gehoor ook aandacht moet besteden aan wat eiseres heeft gesteld over de positie van alleenstaande vrouwen en Palestijnen in Syrië.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op 5 juli 2024 referent heeft gehoord. Vervolgens heeft verweerder met het bestreden besluit van 12 juli 2024 opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist, waarbij verweerder ook in is gegaan op wat eiseres in bezwaar en referent tijdens het gehoor heeft aangevoerd over de positie van alleenstaande vrouwen en Palestijnen in Syrië en de VAE. In zoverre heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan de opdracht in de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling voldaan. De rechtbank zal hierna beoordelen of het bestreden besluit in stand kan blijven.
Standpunten van partijen in de huidige procedure
5. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent niet aannemelijk is gemaakt. Daartoe stelt verweerder dat eiseres ten tijde van het indienen van de mvv-aanvraag 33 jaar oud en daarmee meerderjarig was. In het geval van meerderjarige kinderen ouder dan 25 jaar, neemt de IND [6] de feitelijke gezinsband alleen aan als er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Volgens verweerder is niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een dergelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en referent en/of tussen eiseres en haar moeder. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres ook niet in aanmerking komt voor verlening van een ambtshalve verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [7] . Er is volgens verweerder namelijk geen sprake van beschermingswaardig familie- of gezinsleven zoals bedoeld in dit artikel, aangezien er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder meent dat hij daarom ook niet gehouden was een belangenafweging te maken.
6. Eiseres heeft het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Wat zij naar voren heeft gebracht zal – voor zover relevant – hieronder worden besproken
Is het bestreden besluit onbevoegd genomen?
Wat is het betoog van eiseres?
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op 12 juli 2024 onbevoegd is genomen door de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, omdat vanaf 2 juli 2024
de minister voor Asiel en Migratie daartoe bevoegd was. Nu het bestreden besluit niet namens de bevoegde bewindspersoon is genomen, is het bestreden besluit volgens eiser onrechtmatig tot stand gekomen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, terwijl de bevoegdheid om te beslissen op asielaanvragen sinds 2 juli 2024 bij de minister voor Asiel en Migratie ligt. Daarmee is sprake van een gebrek in het bestreden besluit. Maar de rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb [8] te passeren, omdat niet gebleken is dat eiseres hierdoor is benadeeld. Niet in geschil is namelijk dat het besluit is genomen door een medewerker van de IND [9] namens de staatssecretaris, die daartoe voor 2 juli 2024 ook bevoegd was. Medewerkers van de IND zijn vanaf 2 juli 2024 bevoegd om namens de minister dergelijke besluiten te nemen. Dit volgt uit de Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging beleidsterreinen Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie van 2 juli 2024. Gelet hierop is niet aannemelijk dat het gebrek van invloed is geweest op de inhoud van het besluit. Het besluit is in feite genomen namens het bevoegde bestuursorgaan.
Is er sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (bijkomende elementen van afhankelijkheid [10] )?
Wat is het juridische kader?
9. Op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw [11] kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan het meerderjarige kind van een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de referent), als dat meerderjarige kind zodanig afhankelijk is van de referent dat hij om die reden tot diens gezin behoort. Deze bepaling is nader uitgewerkt in de Vc [12] .
9.1.
Uit paragraaf C2/4.1.2 van de Vc volgt dat verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw verleent als het desbetreffende gezinslid op het peilmoment feitelijk behoort tot het gezin van de referent. Het peilmoment is de binnenkomst van referent in Nederland.
9.2.
Volgens paragraaf C2/4.1.2.1 van de Vc neemt verweerder aan dat een meerderjarig biologisch kind feitelijk tot het gezin van de referent behoort als er sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM.
9.3.
Uit vaste rechtspraak [13] van het EHRM [14] volgt dat voor de vaststelling van gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen is vereist dat ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan. De vraag of hiervan sprake is, is van feitelijke aard en is afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden, waarbij relevant kan zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
9.4.
Uit de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024 [15] volgt dat het aan de betrokken vreemdeling is om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door de minister gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en/of tussen eiseres en haar moeder. Verweerder heeft daarbij alle relevante en gestelde feiten en omstandigheden (samenwoning, financiële afhankelijkheid, emotionele afhankelijkheid, gezondheid, banden met het land van herkomst en aanvullende vormen van afhankelijkheid) – ook in samenhang bezien – bij de beoordeling betrokken. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
10.1.
Verweerder neemt aan dat eiseres met haar ouders heeft samengewoond totdat referent en haar moeder naar Nederland zijn vertrokken. Hierover heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het enkel samenwonen niet de gebruikelijke banden tussen eiseres en haar ouders overstijgt. Daarbij heeft verweerder ook in aanmerking kunnen nemen dat het als alleenstaande vrouw in Syrië gebruikelijk is om bij haar ouders te blijven wonen.
10.2.
Verder heeft verweerder mogen betrekken dat referent tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat zijn zoon in de VAE eiseres grotendeels ondersteunt en hijzelf maar onregelmatig een klein deel aan de kosten van eiseres bijdraagt. [16] Gelet hierop is eiseres – anders dan zijzelf stelt – financieel meer afhankelijk van haar broer dan van referent. Dat de reizen van de moeder van eiseres naar eiseres in de VAE ook worden bekostigd uit de beperkte financiële middelen van referent, maakt dit niet anders. Bovendien kan de financiële steun van referent – zoals verweerder niet ten onrechte stelt – vanuit Nederland worden voortgezet. De stelling van eiseres dat dit niet volstaat omdat – zoals op zitting is toegelicht – hiermee het risico dat de VAE haar naar Syrië zal uitzetten niet wordt weggenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit element ziet namelijk niet op de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar ouders.
10.3.
Daarnaast heeft referent verklaard dat eiseres geen gezondheidsklachten heeft en haar moeder, afgezien van klachten die bij haar leeftijd passen, in goede gezondheid verkeert. [17] Referent heeft zelf wel hartklachten, maar hij heeft – zoals verweerder niet ten onrechte stelt – tijdens het gehoor ook verklaard dat hij vanwege deze klachten niet exclusief van eiseres afhankelijk is. [18] Daar komt bij dat verweerder bij zijn beoordeling heeft mogen betrekken dat (uit de overgelegde medische stukken) niet is gebleken welke dagelijkse zorgtaken voor referent (en zijn echtgenote) noodzakelijke zouden zijn dan wel dat eiseres alleen deze (eventuele) zorgtaken kan verrichten. Dat eiseres graag voor haar ouders wil zorgen is begrijpelijk, maar maakt niet dat verweerder hierom een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres en haar ouders had moeten aannemen.
10.4.
Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat niet is gebleken dat sprake is van emotionele banden die de normale banden tussen een ouder en een meerderjarig kind overstijgen. Dat de Arabische cultuur een ander begrip van afhankelijkheid kent, is op zichzelf niet voldoende om aan te nemen dat tussen eiseres en haar ouders een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat. Verder is het zeer begrijpelijk dat eiseres en haar ouders elkaar missen en graag bij elkaar willen zijn, maar dit maakt niet dat verweerder om deze reden had moeten concluderen dat er tussen hen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres heeft namelijk niet (met stukken) onderbouwd dat het gemis een zodanige (psychische) invloed heeft op haar dan wel op haar ouders dat zij hierdoor in hun functioneren worden belemmerd.
10.5.
Verder heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiseres een sterke band met Syrië heeft, omdat zij daar geboren is en is opgegroeid. Dat Syrië een land is met een algemeen slechte veiligheidssituatie, is op zichzelf niet voldoende om een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar ouders aan te nemen. Dit betreft namelijk een asielgerelateerde omstandigheid die buiten het nareiskader valt. [19]
10.6.
Wat betreft de gestelde kwetsbare positie van eiseres als alleenstaande vrouw in Syrië, overweegt de rechtbank dat – anders dan voor Afghanistan geldt – in het huidige asielbeleid ten aanzien van Syrië niet is opgenomen dat meerderjarige Syrische dochters afhankelijk zijn van de bescherming door het ouderlijk gezin, omdat andere familieleden deze bescherming niet op zich kunnen nemen. Uit de door eiseres aangehaalde informatie uit het AAB [20] over Syrië van 8 augustus 2023 volgt weliswaar dat er sprake is van een kwetsbare positie voor alleenstaande vrouwen en Palestijnen in Syrië, maar hieruit blijkt niet dat eiseres zich zonder referent niet staande kan houden. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat vanwege de positie van alleenstaande vrouwen en Palestijnen tussen eiseres en haar ouders geen sprake is van een dusdanige afhankelijkheidsrelatie die maakt dat verblijf in Nederland moet worden toegestaan.
10.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven dat wordt beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft daarom de mvv-aanvraag van eiseres terecht afgewezen
Had verweerder ambtshalve aan eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM moeten verlenen?
11. Zoals hiervoor al is overwogen, is er geen sprake van beschermingswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Aan een belangenafweging wordt op grond van de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 [21] dan ook niet toegekomen. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor verlening van een ambtshalve verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had verweerder toepassing moeten geven aan zijn inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb?
Wat is het betoog van eiseres?
12. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan zijn inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van Pro de Awb. Zij stelt dat – gelet op al wat zij eerder heeft aangevoerd – wel degelijk sprake is van bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden waren volgens eiseres ook bij verweerder bekend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
13. De rechtbank overweegt dat met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb alleen van het beleid kan worden afgeweken en niet van een wettelijke bepaling. Uit het voorgaande is gebleken dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet voldoet aan één van de bij de wet in artikel 29, tweede lid, van de Vw gestelde eisen, namelijk dat sprake is van een feitelijke gezinsband ten tijde van de binnenkomst van referent in Nederland. Nu gesteld noch gebleken is van welke beleidsregels verweerder in het geval van eiseres zou moeten afwijken, slaagt de beroepsgrond niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is – gelet op wat hiervoor is overwogen – ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand kan blijven.
15. Gelet op het onder rechtsoverweging 8 geconstateerde gebrek, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt in verband met de behandeling van het beroep [22] . Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Geregistreerd onder zaaknummer NL21.16500.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Geregistreerd onder zaaknummer 202203583/1/V1.
5.Verenigde Arabische Emiraten.
6.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Algemene wet bestuursrecht.
9.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
10.In de huidige rechtspraak wordt niet langer – zoals in het bestreden besluit – gesproken van ‘een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie’, maar van ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’.
11.Vreemdelingenwet 2000.
12.Vreemdelingencirculaire 2000.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het EHRM van 17 april 2012, in de zaak [naam 3] en [naam 4] tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806.
14.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
16.Zie de pagina’s 3 en 4 van het “Rapport hoorzitting nareis” van 5 juli 2024.
17.Zie pagina 4 van het “Rapport hoorzitting nareis” van 5 juli 2024.
18.Zie wederom pagina 4 van het “Rapport hoorzitting nareis” van 5 juli 2024.
19.Zie pagina 11 van Werkinstructie 2020/16 “Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro”, en ook de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4031.
20.Algemeen ambtsbericht.
22.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2296.